(1)
Tegenstand voorafgaand aan politiek besluit tot de missie.
De toenmalige chef-defensiestaf, generaal Arie van der Vlis, zette al 22 november 1992
het standpunt van de legertop uiteen: de oorlog in Bosnië werd beschouwd als een 'gewone' burgeroorlog,
de Bosnische burgers die vluchtten voor de 'etnische zuiveringen' van het Bosnisch-Servische leger
werden gezien als partij in het conflict, en daarom zou bescherming van 'veilige gebieden' voor vluchtelingen
neerkomen op
partijdigheid.
(A.K. van der Vlis, 22 november 1992, in 'het Capitool'; zie NIOD-rapport, p.768, idem Samenvatting, p.102-103).
Dit standpunt kwam naadloos overeen met de misleidende propaganda van Slobodan Milosevic
en zijn Bosnisch-Servische medestanders.
Luitenant-generaal Hans Couzy, die op 10 september 1992 door Van der Vlis was benoemd tot bevelhebber van de
landstrijdkrachten (BLS), liet geen gelegenheid onbenut zijn minachting te etaleren voor "
de Haagse dromers
" in de politiek. Hij zocht voortdurend de media om zijn weerstand tegen de politici te ventileren.
Het leidde al snel tot onenigheid met minister van Defensie Relus Ter Beek. Die dwong de hoogste landmachtmilitair
tot het tekenen van een document dat algemeen een 'loyaliteitsverklaring' ging heten.
Couzy zou daarna zijn politieke superieuren echter met des te meer verbetenheid blijven tarten en tergen.
Op donderdag 14 januari 1993 keerde Couzy zich op de radio falikant tegen militair ingrijpen in Bosnië.
Hij waarschuwde voor een 'tweede Vietnam'.
(J.C.A.C de Vogel, 'Ingrijpen in Joegoslavië?'. In 'Vrij Nederland', 9 januari 1993, p.7-8).
In Vrij Nederland stonden allerhande reacties op deze meningsuiting. VVD-Kamerlid Blaauw was het er niet mee eens.
Hij zei: "
Couzy roept een beeld op over politieke acties die niet aan de orde zijn;
dat schept verwarring naar de bevolking toe. Daarna ging hij nog eens die vergelijking
maken met Vietnam, dat vond ik wel zo verschrikkelijk goedkoop.
Als de generaal verstandige dingen gaat zeggen,
hoeft hem wat mij betreft niet het zwijgen worden opgelegd. Maar gelet op de taal die hij nu uitslaat,
vind ik het volkomen terecht als zijn directe chef hem op de vinger tikt.".
(Leonard Ornstein en Max van Weezel, 'Lubbers zit er niet om lellen uit te delen'. In 'Vrij Nederland',
23 januari 1993, p.7-11.
Rudi Kagi, 'Wat generaal Couzy wel en niet mag zeggen', In 'Vrij Nederland', 30 januari 1993, p.16-17).
Couzy bepleitte maart 1993 een uitdrukkelijke realpolitieke stellingname: "
We hebben er geen belangen,
dus hebben we er niets te zoeken". Hij wist meteen te voorspellen dat 'tientallen Nederlandse militairen
zouden sneuvelen' - het schrikbeeld van de 'lijkenzakken'. Daarbij gaf Couzy blijk van een categorische ontkenning
van menselijk leed op de Balkan: "
Er is helemaal geen goede zaak in voormalig Joegoslavië om voor te
gaan vechten".
(Hans A. Couzy, 25 maart 1993, in een interview in het 'Algemeen Dagblad', '
Generaal waarschuwt politiek voor actie in Bosnië'; idem 26 maart 1993, in een interview met NOS Journaal;
zie ook: NRC, 26 maart 1993, '
Lubbers hekelt uitspraken van generaal Couzy').
Hierop gaf ik mijn reactie in
'Goede Zaak
'
, In 'De Volkskrant', 1 april 1993, p.11.
Uit '
Boevenbendes nemen goede zaak niet weg', ingezonden brief, C.P. van der Velde, 25 mrt. 1993, p.1-2).
De toenmalige minister van Defensie in kabinet 'Lubbers III', Relus ter Beek, schreef hier later over: "
Een paar maanden later, in maart 1993, kwam Hans Couzy voor de inmiddels vierde keer in opspraak.
Nu had hij een aantal waarschuwende uitspraken over de militaire inzet in Bosnië gedaan.
'Generaal waarschuwt politiek voor actie in Bosnië', kopte het Algemeen Dagblad".
(A.L. ter Beek, in zijn boek 'Manoeuvreren, herinneringen aan Plein 4', 1996).
Couzy erkende volmondig dat de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht,
de missie naar Srebrenica, bij hem als bevelhebber KL lag - maar verklaarde tegelijk, onder ede,
dat hij zich bij de beslissing neerlegde, met andere woorden: dat hij die opdracht
en daaree de bijbehorende eindverantwoordelijkheid in zijn functie op zich nam. Als reden noemde hij
'dat hij geen ontslag wilde nemen', hetgeen dus los staat van de gesuggereerde opdrachtaanvaarding.
"
De VN-missie van Dutchbat in 1994 en 1995 naar de moslimenclave Srebrenica was onuitvoerbaar.
Toenmalig bevelhebber van de landmacht generaal Couzy vindt dat nog steeds,
maar heeft zich destijds toch bij de beslissing van zijn minister neergelegd.
Het alternatief was ontslag nemen en dat wilde hij niet.
Dat vertelde de inmiddels gepensioneerde generaal donderdag aan de parlementaire enquêtecommissie over Srebrenica.
"
('Couzy: Missie Dutchbat was onuitvoerbaar", NOVA tv, 21 november 2002).
Tegelijk verklaarde Couzy doodleuk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid had.
(Couzy in NOVA tv, 11 juli 2005).
Zo nam Couzy na het besluit dus een meer hybride, deels dubbelzinnige, deels heimelijke positie in, van waaruit hij
de missie wellicht doeltreffender kon sturen - of saboteren.
(2)
Weerspannigheid tijdens voorbereiding en uitvoering van de missie.
Couzy ijverde er voor om de uitzending geheel in eigen hand te houden. Dirk Barth, secretaris-generaal
van het ministerie van Defensie, verklaarde hierover later: "
De bevelhebber [d.i. Couzy] had het gevoel
dat alles wat de landmacht aanging 'zijn pakkie an' was." [..] "
Er bestond een sterk gevoel van miskenning.
".
(NOS-Journaal, 20-11-2002; verslag verhoren parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, 20-11-2002).
Bert Kreemers, van 1991 tot 1999 plaatsvervangend directeur Voorlichting van het ministerie van Defensie,
verklaarde later: "
Voor Couzy was Srebrenica een zaak van de landmacht".
(Bert Kreemers, voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, 20-11-2002; NOS-Journaal, 20-11-2002).
(3)
Ondermijnen van de opdracht door misleiding van rekruten.
Generaal Couzy maakte tevoren al luid en duidelijk bekend dat Dutchbat bij een Servische aanval onder geen beding
enige moeite moest doen om de bevolking te beschermen: "
Als de bevolking wordt aangevallen,
dan eh, is het zelf maximaal dekking zoeken, en buiten de strijd blijven."
("Bevelhebber gen. Couzy meldt dat de troepen niet mogen ingrijpen wanneer zij zelf geen gevaar lopen",
NOS-Journaal, 27 januari 1994, 'Vertrek van ongeveer honderd kwartiermakers van de luchtmobiele brigade
naar de Bosnische plaatsen Srebrenica, Zepa en Lukavac.' - Herhaald in 'De Staat van Ontkenning', Holland Doc,
25 maart 2009).
Op 21 januari 1995 spreekt Couzy zich wederom uit in de media.
"
Dutchbat heeft het zwaar in Srebrenica. De door de Bosnische Serviërs van de buitenwereld afgesloten enclave
is omgeven met Servische artillerie en mortieren.
'Ze [De Dutchbat militairen] zitten daar als ratten in de val.
Daarom heeft het geen enkele zin om, zoals de zich vrij bewegende Britten doen,
tijdens incidenten flink terug te schieten. Wij moeten dat gedoseerd doen en weloverwogen.' ..
"Als het zogeheten risico' voor de manschappen omslaat in onaanvaardbaar, belooft Couzy
'dezelfde dag nog' bij de minister op te stoep te zullen staan. 'Dat verwacht Voorhoeve ook van mij.'
Enigszins dreigend voegt hij daaraan toe: 'AIs ik vind dat de risico's niet meer aanvaardbaar zijn,
vraag ik me af welke minister van Defensie lets anders kan beslissen.'"
(Ewoud Nysingh, 'De landmacht zal nog lang in Bosnië blijven',
interview met Hans Couzy, die dec. 1994 Dutchbat had bezocht, de Volkskrant, 21-1-1995).
a.
Weigeren van onwelgevallige informatie.
De Nederlandse legertop koesterde zelfs zoveel sympathie en respect voor de Servische heren
dat men het aanbod van de Britse intelligence weigerde om geavanceerde inlichtingenapparatuur
de enclave binnen te smokkelen ...
"
De aanval op de enclave kwam als een 'volledige verrassing' voor Dutchbat.
Nederland had weinig interesse voor het materiaal van inlichtingendiensten.
De landmacht sloeg een aanbod van de CIA af om de strijdende partijen in de enclave af te luisteren".
(Het Parool, 10 april 2002, op basis van het NIOD-rapport).
Met name bevelhebber Couzy zorgde ervoor dat cruciale CIA-informatie werd onthouden aan politici, UNPROFOR
en Dutchbat.
Cees Wiebes, auteur van de bijlage van het NIOD-rapport over militaire inlichtingen (
intelligence):
Het verbod op geheime operaties rond de enclave was "
Een fatale blunder .. De Amerikanen
hebben tot vijf keer toe aangeboden spionagemateriaal vanuit de lucht door te spelen.
In ruil voor inlichtingen op de grond, die Dutchbat zou verzamelen. Bevelhebber Couzy weigerde steeds, omdat
[naar zijn zeggen] volgens de Verenigde Naties geheime operaties de neutraliteit van de blauwhelmen
in gevaar zouden brengen."
(dr. Cees Wiebes, 'Intelligence en de oorlog in Bosnië, 1992-1995 :
de rol van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten'. NIOD rapport 2002, Achtergrondrapport I.
Amsterdam : Boom, 2002. ISBN: 90-5352-742-7).
Waarom wees Couzy dit aanbod alle keren af? Om later te kunnen zeggen dat hij het niet heeft
gewußt?
"
Het had dus heel anders kunnen lopen met Dutchbat.
Dutchbat had het best geïnformeerde VN-bataljon in het voormalige Joegoslavië kunnen zijn.
In plaats daarvan maakte de legertop de blauwhelmen in Srebrenica bewust doof en blind."
(Louis Cornelisse, 'Nederland hield zich meer dan strikt aan de regels', Trouw, 11 april 2002).
Couzy heeft het aanbod van de CIA bovendien niet voorgelegd aan minister Voorhoeve van defensie.
De laatste zei tijdens het onderzoek van Wiebes, dat hij volmondig 'ja' had gezegd
als hij van het aanbod had geweten.
(Ibidem, Trouw, 11 april 2002).
(4)
Ondermijnen en beschadigen van politiek gezag.
Het NIOD uitte in haar rapport stevige kritiek op de wijze waarop Couzy zijn taak had vervuld, met name
de wijze waarop hij minister van Defensie Voorhoeve zeer regelmatig belangrijke informatie had onthouden.
"
De top van de Koninklijke Landmacht en vooral de toenmalige bevelhebber Couzy hebben veel feiten,
die voor Dutchbat negatief zouden kunnen uitpakken, bewust onder het tapijt proberen te schuiven.
Het NIOD concludeerde keihard dat de legertop onder aanvoering van Couzy de toenmalige Defensie-minister Voorhoeve
'laat, inadequaat of zelfs helemaal niet' heeft geïnformeerd over de juiste gang van zaken
in de aanloop naar de val van Srebrenica. Voorhoeve liep daardoor voortdurend achter de feiten aan,
aldus het NIOD.. [..]
Couzy vond het namelijk veel belangrijker
het imago van Dutchbat en de landmacht te beschermen.
De opstelling van de landmachttop heeft Defensie veel schade toegebracht, concludeert het NIOD."
(De Telegraaf, 11 april 2002, 'Legertop hield negatieve informatie onder de pet').
Bert Kreemers verklaarde over de houding van bevelhebber Couzy tegenover zijn baas,
eerst minister Relus ter Beek (PvdA) en vervolgens diens opvolger minister Joris Voorhoeve (VVD),
die vanaf 22 augustus 1994 minister van defensie was:
"
Generaal Couzy had geen gevoel voor de politieke verantwoordelijkheid van de minister.
Hij vond dat die zich niet moest bemoeien met de uitvoerende taken van de landmacht".
Kreemers verklaarde verder dat Couzy van mening was dat de minister onvoldoende krachtig leiding gaf
aan de Koninklijke Landmacht.
(Bert Kreemers, voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, 20-11-2002; NOS-Journaal, 20-11-2002).
Hans Couzy verklaarde later dat zijn relatie met Voorhoeve 'uiterst stroef' was geweest,
en dat dit ernstige gevolgen had voor de taakuitvoering.
"
De informatieuitwisseling heeft daar zeker onder geleden".
(Hans Couzy, voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, volgens Steven Derix en Floris van Straaten,
'Nog veel raadsels rond Dutchbat-debacle', NRC, 23-11-2002).
Jacques de Winter, tussen 1994 en 2001 directeur Algemene Beleidszaken bij het ministerie van Defensie,
bevestigde het beeld dat Hans Couzy ten koste van alles wilde voorkomen dat de landmacht of Dutchbat
in een kwaad daglicht kwam te staan. Volgens De Winter is bewust aangestuurd op beschadiging van de minister.
Aanleiding hiervoor waren geluiden over onderhandelingen over een deal tussen de Servische generaal Mladic
en VN-generaal Smith. Minister Voorhoeve had de pers laten weten dat er geen deal was.
De landmachttop lekte daarna naar de pers dat dat wel degelijk het geval was. De Winter: "
Er is nooit een duidelijker poging gedaan om een minister te beschadigen".
(NOS-Journaal, 20-11-2002, verslag parlementaire enquêtecommissie Srebrenica).
De tragedie van Srebrenica werd echter gemakshalve toegeschreven aan "
de moeizame persoonlijke relatie"
tussen Couzy en Voorhoeve, waardoor er steeds "
een dikke mist" bleef hangen
rond de gebeurtenissen in Srebrenica. Aldus bijvoorbeeld Bert Kreemers,
van 1991 tot 1999 plaatsvervangend directeur Voorlichting van het ministerie van Defensie,
in zijn verklaring voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica.
(NOS-Journaal, 20-11-2002).
Ook de enquêtecommissie onder leiding van Bert Bakker velde een hard oordeel over generaal Hans Couzy. "
'De commissie is van mening dat Couzy als bevelhebber van de Koninklijke Landmacht te weinig moeite heeft gedaan
om de minister tijdig en volledig te informeren.
De loyaliteit van Couzy lag meer bij de KL dan bij de minister.
De nadruk op de loyaliteit voor de KL is naar de mening van de commissie onprofessioneel en verwijtbaar voor de bevelhebber van de KL,
die ook een Defensiebrede rol moet vervullen.'
('Couzy hard, andere militairen mild beoordeeld', NRC, 27 Januari 2003)
"
Kritiek krijgt ook oud-minister van Defensie Joris Voorhoeve,
die zich volgens de enquêtecommissie 'onvoldoende daadkrachtig' toonde
om de eigenzinnige Couzy weer in het gareel te krijgen.".
('Commissie stelt Couzy in gebreke', redacteur NRC, 27-01-2003).
(5a)
Desinformatie - zelfs nog tijdens de Servische aanval.
Op 12 juli 1995 kreeg Voorhoeve een telefoontje van kolonel Branz uit Tuzla,
de eerste directe VN-chef van Karremans, die zei: "
Ik heb nu Karremans aan de lijn
gehad en het gaat niet goed met hem". Voorhoeve: "
Dat bericht week totaal af van het beeld dat werd
geschilderd door de Landmachtstaf".
(5b)
Provocaties terwijl de massamoorden plaatsvonden.
Terwijl de massamoorden nog in volle gang waren werden de gevluchte Dutchbatters na hun aankomst op 21 juli 1995
in Camp Pleso in Zagreb feestelijk onthaald met een heldenontvangst. Generaal Couzy stond voorop
om hen te verwelkomen en te feliciteren met de afloop. Ook kregen zij complimenten en schouderklopjes van
belangrijke personen van Koninklijk huis (prins Willem-Alexander), regering, leger en pers.
Nadrukkelijk aangemoedigd door Couzy brachten 'onze jongens' die dagen rond 21 juli 1995
- zogenaamd in het belang van hun geestelijk welzijn - door met een geweldig feest:
hossend, brallend en bier hijsend. Onder toeziend oog van - destijds nog - prins Willem-Alexander,
broederlijk vergezeld van Hans Couzy. Over het feestje zei Couzy na afloop: "
Dat moet met bier,
dat kan niet anders. Het kamp zat vol bier.".
(Couzy in NOVA, 14-7-2005).
Aan het nachtelijk slot van het festijn beleefde de aanwezige Couzy zijn
finest hour: hij werd
door de dolenthousiaste Dutchbatters luidkeels toegezongen: "
Couzy bedankt, Couzy bedankt, Couzy, Couzy,
Couzy bedankt ..".
(12-07-1995, NOS Journaal, website 'Beeld en Geluid', Internationaal nieuws. Bijschrift: "
Rechten: Ministerie van Defensie. Geblokkeerd: Ja. HERGEBRUIK ALLEEN DOOR JOURNAAL;
GEBLOKKEERD VOOR ALLE ZENDGEMACHTIGDEN, INCLUSIEF ACTUALITEITENPROGRAMMA'S."
Het laat zich in het licht van de feiten gemakkelijk raden waarvoor de Dutchbatters hun opperbevelhebber
zo dankbaar waren. Het zou naadloos passen in het bekende patroon als Couzy zich opnieuw actief had ingezet
om Dutchbat te weerhouden van elk verzet tegen de Serviërs, en te zorgen dat het bataljon zo snel mogelijk
de enclave kon verlaten.
Op hetzelfde moment kwamen overlevenden uit Srebrenica aan in het VN-vluchtelingenkamp in Tuzla waar vrouwen
huilend de verhalen van de gruwelen aanhoren.
Zelf vonden de Dutchbatters het feestvieren van zichzelf overigens "
heel begrijpelijk". Want wat betreft
de massamoorden lag het volgens hen simpel: "
Wij wisten het niet. De Serviërs hadden ons verzekerd
dat zij de mannen naar Tuzla zouden brengen"
(22-10-2007, Monique Bergman).
De getergde Dutchbatters werden daarna gehuldigd in Soesterberg, kregen van minister Joris Voorhoeve een
spreekverbod, en werden aansluitend op vakantie gestuurd. Hierdoor werd het werk van
de VN-rapporteur Tadeus Mazowiecki, die onmiddellijk de massamoorden onderzocht, effectief tegengewerkt ..
(5c)
Desinformatie en tegendraadsheid de massamoorden plaatsvonden.
Minister Voorhoeve had op 21 juli zijn vrees voor massamoord uitgesproken.
Onze bekende generaal Hans Couzy verkondigde de volgende dag echter
dat de Nederlandse soldaten wel lijken hadden gezien, maar niet in die omvang dat er sprake was van genocide,
en dat maar één soldaat daadwerkelijk een moord had gezien. Daarbij onthulde hij
dat er weliswaar video-opnamen waren van executies [let wel: meervoud - CvdV], maar dat die opnamen snel
'uit veiligheidsoverwegingen' vernietigd waren, want tja, op dezelfde band stonden ook andere opnamen
waarop Nederlandse militairen zichtbaar waren die tot taak hadden luchtacties aan te vragen ..
en 'dus' werden de tapes niet gedeeltelijk gewist maar geheel vernietigd.
(NOVA, 22-7-1995, over de persconferentie in Zagreb van Karremans en Couzy; reportage, interviews).
(6)
Misplaatste loyaliteit - zelfs nog na de Servische aanval.
Overste Thom Karremans benadrukte op de persconferentie van zondag 23 juli 1995 in Camp Pleso in Zagreb
nog eens met kracht: "
Er zijn geen 'good guys' en 'bad guys', hebben wij geleerd".
(NOS Journaal, 23 juli 1995, persconferentie in Camp Pleso in Zagreb).
Achteraf werd duidelijk dat deze uitspraken al tevoren het fiat hadden van Couzy.
(Ewoud Nysingh, 'Couzy was tevoren op de hoogte van tekst overste Karremans', de Volkskrant, 11 augustus 1995).
Op de persconferentie herhaalde Couzy dat er absoluut geen aanwijzingen voor 'genocide' waren.
Karremans stak de loftrompet over de Bosnisch-Servische generaal Mladic die Dutchbat 'knap had uitgemanoeuvreerd',
en correct had gehandeld bij de 'evacutie' [lees: deportatie - CvdV] van de vluchtelingen.
(NOS Journaal, 23 juli 1995).
Couzy zou hierna wegens zijn ontkenningen en voorgewende onwetendheid als '
generaal Blindganger'
onder journalisten bekend staan.
(7)
Tegenwerking door desinformatie en doofpotbeleid.
Van alle kanten bleek in de jaren daarna dat sprake was van een systematisch doofpotbeleid.
[reeds boven:] "
De legertop veegde allerlei voor Dutchbat mogelijk negatieve zaken onder het vloerkleed,
zoals bepaalde beslissingen van Dutchbat-commandant Karremans en diens plaatsvervanger Franken.
Couzy vond het namelijk veel belangrijker het imago van Dutchbat en de landmacht te beschermen.
De opstelling van de landmachttop heeft Defensie veel schade toegebracht, concludeert het NIOD.".
(De Telegraaf, 11 april 2002, 'Legertop hield negatieve informatie onder de pet').
"
De vroegere landmacht-bevelhebber H. Couzy heeft persoonlijke aantekeningen en agenda's vernietigd
die betrekking hadden op de gang van zaken rond het drama-Srebrenica.
Dit constateert het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod)
op basis van mededelingen van de oud-bevelhebber zelf
en inspectie van het archief van het kabinet van de bevelhebber.
Persoonlijke stukken die te maken hebben met de aard van de functie vallen onder de Archiefwet
en mogen niet zonder toestemming van de rijksarchivaris worden vernietigd.
Daar vallen ook werkagenda's onder, die in Couzy's geval dateerden uit de eerste helft van de jaren negentig
en van belang waren voor een onderzoek naar de besluitvorming rond de uitzending.
Voorts bleken de Dutchbat-dossiers in het archief van de operationele staf van de Koninklijke Landmacht (KL) 'incompleet'
en zijn ook de dagboeken van het Situatiecentrum van de crisisstaf van de landmacht niet bewaard gebleven.
Nader onderzoek leerde de Niod-onderzoekers ook dat het archief van het Eerste Legerkorps was vernietigd.
Dit korps speelde een rol bij de besluitvorming voor uitzending in 1993.
Ook het kwam het Niod van een koude kermis thuis bij een bezoek aan het archief van de Luchtmobiele Brigade in Schaarsbergen.
Dit bleek eveneens te zijn vernietigd. Deze brigade leverde in 1994 en 1995 militairen voor Dutchbat.
Navraag leerde dat de landmacht in deze gevallen slechts een bewaartermijn hanteerde van één jaar.
Eén van de belangrijkste conclusies van het Niod is
dat de landmachttop wel degelijk onwelgevallige zaken over Srebrenica in de doofpot trachtte de stoppen.
De onderzoekers laken het gebrek aan medewerking van de voormalige landmachtbevelhebber bij dit onderzoek.
'Couzy heeft het onderzoekers moeilijk gemaakt om over zijn kennisniveau uit die dagen iets wijzer te worden.
Niet alleen de zwijgzaamheid en onduidelijkheid die zijn optreden lange tijd kenmerkten waren daar debet aan,
maar ook het ontbreken van schriftelijke documentatie die hierover opheldering kon verschaffen.
Couzy heeft zelf verklaard dat hij later al zijn aantekeningen uit die dagen vernietigd heeft.'".
(Trouw, redactie, 12-04-2002, 'Niod: 'Couzy vernietigde documenten Srebrenica'').
"
Het NIOD stelt dat de landmachttop informatie over Sebrenica in de doofpot stopte. [..]
.. enkele toenmalige ambtenaren van Voorhoeve neigden er tijdens hun verhoren wel degelijk toe
de bewering van het NIOD te ondersteunen zo niet uit te bouwen.
'Er waren voldoende voorbeelden van achtergehouden informatie',
stelde Bert Kreemers, destijds plaatsvervangend Directeur Voorlichting.
Hij doelde daarbij onder meer op de affaire rond Dutchbatters
die met een pantserwagen over moslim-vluchtelingen hadden gereden
en het verzwijgen van door Dutchbat gesignaleerde oorlogsmisdaden.
Het autoritaire optreden van Couzy
die twee opsporingsambtenaren van de marechaussee van het landmachthoofdkwartier verwijderde
toen die kwamen onderzoeken wie belastende informatie naar de pers had gelekt,
was regelrechte obstructie, vond Kreemers.
Het naar buiten brengen van tot dan toe geheime stukken door de 'lekkende kolonel'
omschreef Jacques de Winter, destijds Directeur Algemene Beleidszaken, zelfs
als 'een doelbewuste poging om de minster te beschadigen.'"
(Verklaringen voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, volgens Steven Derix en Floris van Straaten,
'Nog veel raadsels rond Dutchbat-debacle', NRC, 23-11-2002).
(8)
Tergende onverschilligheid en provocerende promoties.
"
Commandant Karremans, zijn plaatsvervanger Franken, hun -Nederlandse- superieuren in Sarajevo en Zagreb,
de legerleiding in Den Haag, ministers en de politici,
niemand heeft in de afgelopen jaren zijn functie neergelegd
om daarmee persoonlijk zijn verantwoordelijkheid voor deze tragedie te nemen.
Karremans werd zelfs nog bevorderd. Zouden ze wel in functie zijn gebleven
als zevenduizend Nederlanders waren vermoord? Ik vind hun houding schokkend en onbegrijpelijk".
(David Rohde in het artikel 'Dutchbat zweeg', Trouw, 8 april 2002.
(9)
Loochenen van doorslaggevende inbreng.
Vanaf de eerste berichten over de inzet van Nederlandse militairen voor de bescherming van burgers
in voormalig Joegoslavië, dook Landmacht-bevelhebber Hans Couzy steeds overal op met zijn puberale protestgedrag
en ondermijnende bemoeienissen, publiekelijk en achter de schermen. Tegelijk hield Couzy vol dat hij,
ondanks zijn eindeverantwoordelijkheid als bevelhebber KL, eigenlijk formeel niet direct betrokken
was bij de Dutchbat uitzending. Zodoende kon hij achteraf met betrekking tot de missie verklaren: "
Ik had geen enkele verantwoordelijkheid".
(Couzy in NOVA, 11-7-2005).
Over het destijds, door zijn bemoeienis te voorziene debâcle zou Couzy later - toppunt van cynisme - beweren: "
Ik vind het vervelend om achteraf gelijk te krijgen" ..
(NIOD, 2002, Samenvatting p.206).