(•)
Religie en 'het geloof' (welke ook) zijn gelijk aan elk geloof - en elk ongeloof.
Gedachten zijn vrij. Dus ook geloven. Maar ook niet-geloven, half-geloven, twijfelen, enz..
De meeste religies, geloofsovertuigingen of levensovertuigingen beroepen zich op bepaalde kernbegrippen
zoals goden, hiernamaals, heiligen, profeten, enz., waarvan de objecten niet aantoonbaar zijn,
empirisch dan wel logisch. Bovendien bevat zo'n geloofssysteem vrijwel altijd massa's beweringen en dogma's,
geboden en verboden, die niet eenduidig interpretabel zijn, vaak onlogisch of onhaalbaar, waarvan
de meest uiteenlopende lezingen rondzingen, conflicten worden uitgevochten,
stromingen en richtingen zich afsplitsen, enzovoorts.
Vanwege dit soort factoren zijn logische waarden zoals waarheid, vervulbaarheid en geldigheid
van een geloofssysteem meestal niet of nauwelijks beslisbaar.
Het is al met al ondoenlijk om geloofssystemen, puur op grond van hun 'gelovige' inhoud, te rangschikken naar
rato van hun waarde, of iets dergelijks. Er is dus geen verschil te maken in 'essentiële' waarde
tussen religies of geloven, laat staan in 'superioriteit'. Dat blijft uiteindelijk een kwestie van
persoonlijke smaak en voorkeur.
Als er al een criterium is dat er toe doet, dan is dat hoogstens hoe nuttig of schadelijk deze systemen zijn
voor het functioneren van personen en groepen. Dit niet vanwege hun 'letterlijke' inhoud,
maar hun klaarblijkelijke 'werking' op de gelovigen en hun gedrag jegens andersgelovigen.
Als aanhangers van geloof X onevenredig vaak betrokken zijn in, om maar wat te noemen, vrouwenmishandeling,
dan kan dat iets zeggen over de werking van X in de versie van dat moment, op die plaats en in die cultuur.
(Deze werking is in principe empirisch meetbaar maar wel zeer lastig wegens de beperkte betrouwbaarheid
van historische en contemporaine bronnen).
Alles bij elkaar is het zeker niet 'beter' of zinvoller om iets te geloven dat niet waarneembaar is, dan om
iets níet te geloven dat niet waarneembaar is, of alleen te geloven wat wèl waarneembaar is,
of niet te weten wat te geloven. Maar ook dat is niet een kwestie van intrinsieke waarde
maar van nut en functionaliteit.
Er is in ieder geval geen enkele reden om een wereldbeeld dat atheïstisch is, agnostisch, skeptisch
of nihilistisch, bij voorbaat systematisch achter te stellen bij overtuigingen die kennelijk 'officieel'
c.q. historisch bij een (grote) religie, kerk of een geloofsgemeenschap horen. (Het omgekeerde ook
niet natuurlijk).
Dit is ook een argument voor een strikte scheiding tussen kerk en staat.
(·) Er hoort volledige vrijheid van geloof te zijn, maar ook van ongeloof.
(·) Dit vraagt om volledige rechtsgelijkheid voor alle (on)geloven, ongeacht de naam of de inhoud
van de bijbehorende overtuigingen.
(·) Er horen in de wet dus ook geen aparte regels voor religie en geloof,
tegen 'godslastering' en dergelijke.
(·) Iedereen mag zijn (on)geloof vrijuit verkondigen en beoefenen - maar dit
zonder hinder, beperking of schade aan rechten, vrijheden en gerede belangen van anderen,
zonder onredelijke geboden of verboden voor anderen te bepleiten of aan anderen op te leggen,
en zonder (andere) overtredingen van de wet of gevaar voor democratie en de rechtsstaat.
(•)
Afbeelden mag (ook van een fantoom).
Meestal wordt het in de meest benepen geloofssystemen nog wel toegestaan dan mensen hun 'aardse' ogen, oren
en andere zintuigen gebruiken. Dan kan er ook geen bezwaar tegen zijn
als iemand datgene wat hij denkt waar te nemen, probeert af te beelden. Daarbij zal hij of zij
een interne voorstelling, een subjectieve perceptie, via motoriek van armen en handen
(of andere lichaamsdelen) neerleggen in een uitingsvorm: tekening, beeld, lied of muziekstuk, vertelling,
toneelspel, enz..
Het is duidelijk te zien dat deze uiting in vorm en kwaliteit primair afhankelijk is van degene
die haar voortbrengt: diens persoonlijke vermogens om accuraat waar te nemen en adequaat
- of althans interessant - weer te geven.
Het startpunt van gefabriceerde afbeeldingen ligt dus niet in externe objecten maar in mentale voorstellingen
c.q. gedachten, en vervolgens interne keuzes in het manoeuvreren met zintuigen, spieren en ledematen. Deze
kan men moeilijk verbieden. Immers ze zijn (vooralsnog) niet van buitenaf controleerbaar,
dus het heeft geen zin.
Het verbieden van zelfgecreëerde afbeeldingen impliceert bovendien dat men tegelijk beweert
dat die afbeeldingen iets objectiefs hebben, althans meer dan subjectiefs, en daarmee bevestigt men juist
wat men wil verbieden.
(·) Het is al met al onzinnig om te verbieden dat iemand zijn zienswijze, gedachten en denkbeelden
probeert af te beelden, bijvoorbeeld op een tekening.
(·) Dit geldt ook als iemand denkt een idee te hebben van een fictieve, mythische of legendarische
entiteit, zeg een god, geest, engel, duivel of profeet.
(•)
Betekenisgeving staat vrij.
Als we vervolgens zo'n afbeelding tegenkomen dan is het mogelijk dat wij deze waarnemen,
en er ook weer een mentale voorstelling van vormen. Vervolgens hebben we in principe oneindig veel keuzes
voor wat we denken of hopen te herkennen in die afbeelding: d.w.z. welke betekenis, waarde, functie
en wat dies meer zij we eraan willen toekennen. Dit staat ons geheel vrij, al is het de grootste onzin
of het meest realistische inzicht waartoe we in staat zijn.
Natuurlijk hebben we in taal en tekensystemen
regels over welke tekens verbonden worden
met welke betekenissen, en vice versa. Dit zijn echter geen wetten of instructies maar
spelregels
die we hebben geleerd omwille van de communicatie. Wie zich niet aan deze conventionele
teken-betekenis regels houdt wordt snel onverstaanbaar en onbegrijpelijk voor anderen.
Dit laat zien dat deze regels wel degelijk een bepaalde voorspellende waarde hebben,
dus algemene geldingskracht, binnen een taalgemeenschap. Maar het betekent niet dat deze regels wezenlijk
anders zijn dan lukrake afspraken en toevallige gewoonten. Ieder mag met zulke regels experimenteren,
en er desgewenst een rommeltje van maken.
(·) Zo kan iedereen elke betekenis toekennen aan een tekening die men wil.
(·) En mag dat logischerwijs ook.
(·) Het omgekeerde is dan ook waar: het is onzinnig om te proberen aan iemand dwingend
een specifieke betekenis bij een bepaald ding - zoals een tekening - op te leggen.
(•)
Dingen hebben geen vaste betekenis.
Het volgende punt is nog wat essentiëler. Het is in de grond onmogelijk om voor een bepaald ding,
voorwerp of verschijnsel een specifieke betekenis te willen achterhalen of determineren. Laat staan zoiets
te willen documenteren of (letterlijk) 'vastleggen'.
Sterker, het is principieel niet hard te maken dat dingen 'van zichzelf',
An Sich, een 'eigen'
structuur of betekenis hebben.
a.
Hypothetische structuur
We kunnen van géén structuur die wij kennen of vermoeden ooit sluitend bewijzen dat deze werkelijk op
exact dezelfde wijze in de 'buitenwereld' aanwezig is, als wij denken. Alle structuur die wij kennen
blijft dan ook puur hypothetisch.
"Man's truth is never absolute because the basis of fact is hypothesis"
(Ch.S. Peirce, Writings vol.I, p.7).
b. Onvermijdelijke betekenis
Sterker nog, alle structuur die wij in de wereld ontwaren,
is daar door ons zelf tevoren (grotendeels onbewust) aan toegekend,
door middel van neurofysiologische, intrapsychische of mentale processen zoals constructie,
perceptie en projectie. Zo'n structuur is dus in feite altijd een artefact.
Dit betekent dat elke relevantie van een afbeelding zoals een cartoon, elke betekenis, inhoud of waarde ervan
- ook als die als 'humor', als 'controversieel' of als 'probleem' wordt ervaren - begint bij de eerste stap:
interpretatie.
Een cartoon kan dan ook niet op zichzelf beledigend o.i.d. 'zijn' (voor iemand). Het kan alleen als zodanig
door iemand worden ervaren. D.w.z. niet beledigend 'voor' iemand, wel 'volgens' iemand. Men kan
iets persoonlijk opvatten, of niet. Maar dit geldt voor vrijwel elke afbeelding of uiting.
Het verschijnsel cartoon oftewel 'spotprent' is zo oud als de beeldende kunst, en heeft zeker in Nederland
een lange traditie. Zoals het woord zegt heeft de cartoon het doel te spotten. Een typisch middel daarbij
is de overdrijving, oftewel de karikatuur. Vertekening en generalisatie zijn dan te verwachten.
Elke uiting van communicatie kan in het kader van een bepaald
genre worden begrepen: zoals humor,
ironie en satire, parodie en persiflage. Deze vormen juist een uitdaging om zich niet beledigd te voelen -
beter nog, een uitnodiging om te lachen. Maar de grap hoeft niet altijd te geslaagd te zijn.
(·) Het begrip 'beledigend zijn' voor iemand, is in het algemeen niet of nauwelijks
betekenisbeslisbaar.
(·) Een tekening of cartoon is in het algemeen, als communicatieve uiting,
maar in heel beperkte mate betekenisbeslisbaar.
(·) Van vrijwel alle dingen is het 'beledigende karakter', onder een specifieke interpretatie,
bijna onbeperkt (waarheids)vervulbaar.
(·) Het beoordelen of 'vaststellen' dat een tekening 'beledigend' zou zijn, voor iemand,
is typisch een probleem dat niet bijster (waarheids)beslisbaar is.
(·) Het bovenstaande geldt minder als de tekening vergezeld gaat van titels, bijschriften
of 'tekstballonnen' die de tekening vergezellen. De vraag is dan of de tekst hiervan letterlijk kan worden
gelezen, bijvoorbeeld (a) als uitspraken die de maker met die uitdrukkelijke strekking
wil uitdragen, of (b) als uitspraken die de maker de geportretteerde in de mond wil leggen.
Het eerste kan bijvoorbeeld rechtstreeks beledigend, discriminerend of lasterlijk zijn,
het tweede kan bijvoorbeeld indirect lasterlijk zijn, en daarmee haat bevorderen.
(•)
Veel etiketteringen hebben geen beslisbare betekenis.
Uiteraard is er een verschil in toetsbaarheid tussen engere, specifieke of concrete betekenissen
en ruimere, algemene of abstracte betekenissen. Meer specifieke interpretaties, die dichter blijven
bij de zintuiglijke vorm en de herkenbare opbouw van een verschijnsel, zijn in het algemeen betrouwbaarder
vast te stellen en te toetsen. Omgekeerd zijn algemene interpretaties lastiger te beslissen. Bijvoorbeeld,
het is gemakkelijker te weten wat ik met 'stoel' bedoel (en wat niet), dan met 'goede smaak'.
Het verschil in betekenis-beslisbaarheid speelt bij uitstek in religieuze en etnische kwesties.
Termen en begrippen zijn daar immers veelal vaag, abstract, moreel beladen, gebaseerd op mythen
of (schijnbaar) ingegeven door niet-verifieerbare entiteiten en domeinen.
Zo horen we over sommige cartoons dat ze 'respectloos' zijn, schadelijk voor 'waardigheid' van gelovigen,
enzovoorts. Dat zijn nogal vergaande waarde-oordelen.
Veelomvattende ethische waarden zoals 'respect', 'waardigheid' en 'integriteit'
zijn zeker positieve gedragswijzen die mooi zijn als streefdoelen. Maar ze zijn wel lastig om algemeen
in te voeren als (morele) richtlijnen voor gedrag, om legio redenen:
(1) iedereen heeft er een andere verwachting bij, (2) ze zijn ook sterk cultuurgebonden,
(3) het is heel moeilijk om de betekenis precies af te spreken:
ze blijven wollig, plooibaar en rekbaar, en hun definities blijven lukraak, (4) je weet nooit tevoren
of je zult voldoen aan de verwachting van anderen, (5) we maken nu eenmaal fouten
en kunnen onverhoeds op iemands tenen trappen.
Deze complicaties spelen uiteraard in veelvoud in een multi-culturele samenleving,
met uiteenlopende sociale en morele codes en spelregels van bevolkingsgroepen.
Het wordt dan vrijwel ondoenlijk om zulke veelomvattende abstracte begrippen en waarde-oordelen
als algemene criteria voor gedrag te gaan hanteren.
Veel belangrijker en universeler is dat concrete rechten en vitale belangen van mensen
niet onrechtmatig geschaad worden. Je kunt allerlei relativeringen voor het universalisme
van de mensenrechten aanvoeren, maar weinigen vinden het prima dat ze zelf bijvoorbeeld
zomaar gemarteld of vermoord worden.
Voor die algemene rechten en belangen hebben we - goddank - het systeem van de rechtsorde,
met al zijn structuren en instituties (die zeker ook niet altijd perfect werken
maar dat is een ander verhaal). Bijvoorbeeld, loze beschuldigingen c.q. laster, oproepen tot geweld
en dergelijke zijn prima eenduidig te toetsen (mits de rechter ook om 'letterlijk' bewijs vraagt
en niet zoals vaak gebeurt zelf Ins Blau hinein aan gissen en gedachten-lezen gaat doen).
(•)
Er is geen oorzaak-gevolg van dingen naar reacties.
Dode voorwerpen hebben geen macht, zeker niet als er geen actieve, enigszins krachtige fysische
inwerking plaatsvindt.
Vreemd is dan ook dat men hoort klagen over het 'krenkende' en 'kwetsende' karakter van tekeningen.
Er wordt volop gewezen op 'gevoeligheden', 'gevoelige kwesties' die geraakt of geschaad zijn.
Cartoons worden hierbij als - letterlijk - grof geschut gezien, wapens als het ware, die heel wat aanrichten.
Ze worden gekenschetst als een 'aanval' op waarden, cultuur en identiteit van moslims, als
'spugen op moslims', 'vorm van geweld', 'terroristisch', 'gevaarlijk en verwoestend', en ga zo maar door.
Sommige tekeningen schijnen zelfs de macht te hebben om - na de nodige 'kwetsende' effecten -
bij de 'slachtoffers' allerlei heftige handelingen en gedragingen teweeg te brengen. Ze zijn, begrijpen we,
'provocerend' (veroorzaken tegenreacties),
zijn 'opruiend' (zetten aan tot wangedrag of misdrijf), 'zaaien haat' (veroorzaken vijandigheid),
zijn 'terroristisch' (veroorzaken angst door wreedheden). Let wel, deze 'effecten' vinden meestal
op magische wijze op grote afstand plaats,
telekinetisch als het ware.
Kortom: externe gebeurtenissen van tamelijk kleinschalige omvang, kortstondige duur en beperkte reikwijdte,
krijgen de status van oorzakelijke (causale) factor, en wordt een enorme, draconische invloed toegedicht
op gemoedstoestand en psychische gezondheid van de betrokkenen.
Dit is natuurlijk onzin. Zonder directe fysieke invloed kunnen mensen hoogstens
indirect
, via communicatie, iets (bij)sturen aan de bewuste of onbewuste reactiepatronen van een ander.
Dit kan bijvoorbeeld door het bieden van informatie, aanwijzingen, of bevelen. Maar zonder verdere,
directe macht van de zender blijft het aan de ontvanger om het 'aanbod' al dan niet op te pakken,
en te bepalen op welke manier. De sleutel tot directe sturing van iemands eigen functioneren
blijft liggen binnen de grenzen van diens persoonlijke verantwoordelijkheid.
(·) De 'werking' van cartoons staat of valt uiteraard, net als hun waarde, bij de betekenis
die de lezers of kijkers er aan geven - of die via sommige imams en ayatollah's aan volgelingen
wordt verkondigd. De 'kracht' van de cartoon wordt natuurlijk geheel bepaald door de waarnemer,
de uitlegger, en bovenal degene die (in) de uitleg gelooft. De macht van de grap, de cartoon,
de belediging, is dan ook primair afhankelijk van de actieve inbreng van wie hem consumeert.
(·) Dit betekent dat degene die van een tekening een sterk effect ondervindt,
de oorzaak bij zichzelf zal moeten zoeken, met name bij eigen keuzes en overtuigingen.
Eigen gedachten en reacties zijn voor eigen verantwoordelijkheid, althans voor volwassenen
met een gezond zenuwstelsel.
(•)
Cartoons hebben geen bewijsbare opzet of bedoeling.
Is eenmaal de nodige opwinding en verontwaardiging in stelling gebracht, dan ontlokt dit bij
talrijke politici en publieke figuren al gauw volop betuigingen van leedwezen en medelij
voor de 'getroffenen'. Wat opvalt dat alle gebruikelijke, koele nuchterheid en zakelijkheid, realisme
en relativering, plotseling verdwenen zijn.
Typisch is dat vervolgens de makers van de tekeningen, voor de groteske 'effecten' verantwoordelijk
worden gesteld (en ieder die hen steunt of althans niet openlijk afkeurt).
Vaak wordt in één moeite door plompverloren gesteld dat de makers en verspreiders van de tekeningen
tevoren de welbewuste opzet en bedoeling hadden om al die effecten te 'veroorzaken',
Of anders hadden ze moeten weten dat hun creaties op deze manieren zouden 'werken'.
Ineens zijn massa's mensen dus kennelijk begiftigd met magische vermogens van gedachten-lezen en
telepathie.
De functie van deze pretenties lijkt duidelijk: door aan de makers de magische macht en verantwoordelijkheid
voor de 'vreselijke' effecten - de krenkingen van god en gelovigen - toe te schrijven,
en bovendien 'boze opzet' om deze teweeg te brengen, worden zij als intens kwaadaardig weggezet.
Vervolgens mogen zij gestraft worden met mishandeling of moord, met permissie van de Heilige Boeken.
De macht van 'het geloof' wordt veiliggesteld, bekrachtigd en zelfs uitgebreid.
Dit alles is natuurlijk van begin tot einde een aaneenschakeling van onzinnige ideeën. Ernstig is dat
talrijke Westerse regeringsleiders en opinieleiders hierin meegaan.
Daarmee hebben zij een klimaat helpen creëren waarin schrijvers en tekenaars, colimnisten en journalisten,
filmers, fotografen, cabaretiers, clowns en komieken, en alle anderen die zich uiten
hun leven niet zeker zijn, althans wanneer ze gebruik maken van hun vrijheid van artistieke
of persoonlijke expressie.
Zulke vergaande consequenties verdienen het meegewogen te worden in de beoordeling van tekeningen
en andere uitingen op hun vermeende gevaarlijke strekking of kwalijke gehalte.