c.
Afweerreactie
De beschaafde Westerse wereld vertoonde over de hele linie, in alle lagen van bestuur en bevolking, een typische
afweerreactie ten aanzien van de schrikbare beelden van de Balkan oorlogen. Dit betekent
allereerst het afweren van emotionele betrokkenheid. Waarneembaar waren vele bekende psychologische '
defensie-mechanismen'.
Loze uitvluchten en excuses
1. 'We hebben er geen belangen'.
Als eerste psychologische 'buffer' was een 'emotionele isolatielaag' simpel maar doeltreffend: desinteresse en
onverschilligheid. En in meer extreme vorm, afstomping en cynisme. Vanuit de landmacht-top
werd zelfs een uitdrukkelijke realpolitieke stellingname uitgevent: "We hebben er geen belangen,
dus hebben we er niets te zoeken" (Luitenant-generaal Hans A. Couzy, 25 maart 1993,
in een interview met NOS Journaal).
2. 'We staan er buiten'.
Ook werd distantie bereikt door de tactiek van buitenplaatsing (dissociatie):
'We hebben er niets mee te maken'. 'Het is een ver en vreemd land'. Een 'ver-van-mijn-bed show' dus in een tot dan
toe populaire vakantiebestemming .. Vergelijk hiermee Neville Chamberlain in 1938 over Tjechoslowakije: "
..a quarrel in a far away country between people of whom we know nothing".
Het probleem werd 'gespreid' over alle aanwezigen ter plaatse: "It is theìr war" (David Owen, 1993).
3. 'Het zal wel goed komen'.
De harde feiten en slechte vooruitzichten werden verdoezeld met veel positief denken en 'wishful thinking':
het zou vanzelf wel weer goed komen. De Balkan volkeren kreeg de leiders die het verdiende, inclusief de oorlog;
het moest kennelijk op deze hardhandige wijze leren dat ze andere leiders moest kiezen
(destijds de visie van onder meer het IKV).
Ook deze visie kende een meer cynische variant: "Gewoon een hek er omheen zetten, en laten uitbranden",
kon men aan menige borreltafel horen zeggen.
4. Een spiraal van escalatie.
Er bleef een behoefte knagen aan een 'plausibele verklaring' teneinde af te rekenen met de resterende
cognitieve dissonantie tussen optimistische verwachting en onthutsende waarneming.
Daarom werd gretig uitgegaan van het 'spiraal-model' van conflicthantering (ontleend aan het communicatiemodel van
Paul Watzlawick c.s. en de Palo Alto School, dat sedert de jaren '60 gemeengoed in de sociale wetenschappen
ter verklaring en aanpak van conflicten). Dit model beschouwt alle vormen van geweld en
conflicten per definitie als gevolg van escalatie van acties en reacties die volgt uit wederzijds versterkende
miscommunicatie. Er is dus geen onderscheid te maken tussen aanval en verdediging, dader en slachtoffer:
'Waar twee vechten hebben er twee schuld'. "Het maakt niet uit wie er aanvalt" was dan ook
de kortzichtige stelling van de vredesbewegingen.
Vervolgens werd vooral het standpunt van de aanvaller verdedigd.
"We mogen niet vergeten dat het Servische volk tijdens twee wereldoorlogen
een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de vrijheid van Europa" .. [Dus ..] "
We moeten streven naar een hernieuwde Joegoslavische eenheid" .. "De enige oplossing is een
confederaal Joegoslavië" (Jean-Pierre Chevènement, 1992).
De aangevallen partijen werd jarenlang door Serviërs en een groot deel van de
'neutrale' buitenwereld verweten dat zij de oorlog waren begonnen door onafhankelijkheid te willen. De
belaagde bevolkingsgroepen op de Balkan hadden het geweld "over zichzelf afgeroepen". Hier werd het
elementaire verschil tussen aanleiding en oorzaak maar even vergeten.
Deze 'logica' werd vervolgens gebruikt om te 'bewijzen' dat de niet-Servische
partijen in gelijke mate debet waren aan deze oorlog, en dat er 'dus' geen sprake was van een aanvalsoorlog.
Dit was in lijn met de bewering van Milosevic dat het een 'burgeroorlog' betrof, een soort uit
de hand gelopen burenruzie waar 'niemand onschuldig was' (Milosevic, 1992). "Niemand kan [in de Balkan
oorlogen] absolute onschuld claimen" (György Konrád, 10 november 1993).
Alles en iedereen in Bosnië werd over één kam geschoren: "Nee, Karadzic boezemt
mij weinig vertrouwen in, maar dat doen de andere politici in Bosnië mij ook niet.
Het is eigenlijk een beetje één pot nat" (Bolkestein, in KRO Brandpunt, 9-5-1993).
Ondertussen riepen de aangevallen partijen al die jaren in ware doodsnood tot internationale militaire interventie
teneinde de massamoorden te doen stoppen. Daarop werd hen nog eens aangewreven dat zij daarmee "de oorlog
wilden rekken". Eigenlijk werd daarmee gesteld dat de genocide maar zo snel mogelijk voltooid moest worden ..
Verder werd de belaagde partijen verweten dat zij - met hun karige middelen - verzet pleegden,
en zich niet zomaar en masse passief en lijdzaam lieten uitmoorden.
Door de definitie als burgeroorlog kon interventie worden betiteld als 'inmenging
in binnenlandse aangelegenheden', oftewel inbreuk op het volkenrecht, kwalijker dan
de verwoestingen en massamoorden die al plaatsvonden.
"[a] Er bestaat geen etnische basis voor een Bosnische natie ..
[b] [Dus] Bosnië is nooit een natie geweest ..
[c] en dus kan een militaire interventie in Bosnië niet tot doel hebben het herstel van een verenigd land
..
[d] [Dus] [Militaire] Interventie in Bosnië betekent interventie in een burgeroorlog, en dat zonder duidelijk
einde.
[e] Dit zou betekenen dat het aloude Amerikaanse principe van zelfbeschikking [voor het centrale
gezag in Belgrado] opzij wordt gezet" (H. Kissinger, de Volkskrant 11-9-1993).
Hieruit blijkt dat de cruciale rol van het Servisch gedomineerde bewind van Milosevic
destijds wel degelijk al onderkend werd als sturende kracht achter de oorlogen. Het maakte echter niet uit,
elk argument was goed genoeg om interventie te vermijden.
De situatie werd afgeschilderd als een ontwarbare escalatie-kluwen, een 'wespennest' of 'slangenkuil' (Frits
Bolkestein). Ofwel, een 'veelzijdige complexiteit' zoals het NIOD het later formuleerde. Daar kon je je beter
niet in mengen.
Ton de Kok, Tweede-kamerlid voor het CDA (maart 1993), betwijfelde of het zin heeft "
om onze jongens zomaar door een troep bandieten overhoop te laten schieten".
Volop werd geschermd met karikaturen van de Balkan: het zijn primitieve volkeren
met barbaarse rituelen die elkaar al eeuwen zouden haten, bestrijden en vermoorden.
5. De mechanische geschiedenis.
Aan het escalatie-model werd nog de dimensie toegevoegd van historisch determinisme
: de geschiedenis van het universum verloopt volkomen automatisch en gedetermineerd. Een vanouds populaire
fictie bij marxisten en sociologen. Dit idee was dan ook een hoeksteen in het betoog van de Servische leiders,
als oud-communisten vertrouwd met het marxistisch gedachtegoed.
De conflicten hadden 'historische wortels'. Betoogde Radovan Karadzic niet voortdurend dat de Serviërs al sedert
de Middeleeuwen jammerlijk slachtoffer waren van de diverse niet-Servische bevolkingsgroepen, en eigenlijk van de
gehele omringende wereld?
De conflicten hadden een 'eigen dynamiek', een autonoom verloop en sleepten onontkoombaar voort. Dat de Serviërs
mateloos wraak namen wegens gebeurtenissen van 50 tot 600 jaar geleden werd 'begrijpelijk' of zelfs terecht
gevonden. Er waren voor hen geen andere opties.
Vooral de vredesbeweging heeft in Nederland tot aan het einde van de oorlog actief gepleit en gelobbied tegen
elke vorm van militaire interventie. De in het najaar 1994 opgerichte Vereniging Hugo de Groot
o.l.v. Mient-Jan Faber (IKV) en Ina Brouwer (CPN resp. GroenLinks) stelde in diverse stukken
als haar uitgangspunten: "Oplossingen van buitenaf blijken niet te werken ([zie]
Joegoslavië, Somalië) .." .. "Militaire interventie werkt niet [om de vijanderlijkheden te stoppen]."
(Bestuur Hugo de Groot Stichting, 27-10-1993, Nadere uitwerking beleidsplan, par.B., p.2.,
Beleidsontwikkeling m.b.t. gewapende conflicten).
d.
Marginalisering van pleidooien voor interventie
Al zeker sinds 1991 werd door Westerse journalisten, columnisten, wetenschappers en actiegroepen gewaarschuwd
voor de voorspelbare uitbreiding van het grootschalige geweld op de Balkan.
In Nederland werd al sinds november 1992 door het
'Comité voor Krachtig Militair
Ingrijpen in Voormalig Joegoslavië', sinds 1996 genaamd '
Politiek Comité Stari Most
' - voortdurend gepleit voor effectieve militaire bescherming van de aangevallen bevolkingsgroepen, om tenminste
verder geweld tegen onschuldige burgers te voorkomen. Dit pleidooi was gefundeerd
op uitgebreide en betrouwbare documentatie, zorgvuldige analyses, morele overwegingen, internationale rechtsregels
en VN resoluties. Tevens werd dit betoog vergezeld van gedegen strategische analyses en aanbevelingen.
Slechts enkele politici, met name Europarlementariër Arie Oostlander (CDA),
en Tweede Kamerlid Maarten van Traa (PvdA), toonden zich volmondig en consequent
voorstander van effectieve militaire interventie.
In het algemeen was er echter weinig bijval voor de interventie-optie van de kant van publiek en politiek.
Afgezien van kortstondige oplevingen van verontwaardiging wanneer sommige gruwelen
(concentratiekampen, bomaanslagen e.d.) in de media aandacht kregen, stuitten de
pleidooien voor interventie meesttijds op brede scepsis en desinteresse: bij het publiek op onverschilligheid of
'vermoeidheid', bij intellectuelen op postmodern relativisme, en bij politici op tactische afzijdigheid. Kortom,
verhoudingsgewijs was er weinig morele bekommernis.
Bij de voorstanders van interventie was er geenszins sprake van naïef moralistisch wensdenken:
"
Elk excuus lijkt gewettigd om de harde waarheid te verdoezelen dat in een naburig
land doelgerichte en systematische volkerenmoord plaatsvindt. ..
Het lijkt me moeilijk vol te houden dat
er geen 'goede zaak' zou zijn. Los daarvan kan men nog steeds tegen militaire
interventie zijn vanwege de risico's. In dat geval laten we eenvoudig een tweede holocaust in Europa toe.
Laten we dat dan in godsnaam ruiterlijk toegeven en ophouden met al die schijnheiligheid.." (C.P.
van der Velde, De Volkskrant, 1-4-1993, p.11).