Appendix 8. De doofpot



8. Door politici en militairen is achteraf een kwalijke doofpot campagne gevoerd

.

Er is door Nederlandse politici en militairen grove nalatigheid, en obstructie van de rechtsgang getoond in het afhandelen van de gebeurtenissen rond de nederlaag in Srebrenica.
Tot op heden wordt een stelselmatige doofpot-campagne gevoerd in Nederland, met beproefde ingrediënten zoals: rookgordijnen, vertragingstactieken, en ontmoedigingsbeleid. Met deze cynische strategie wordt de aandacht afgeleid van de gruwelijke gebeurtenissen, en van de eigen verantwoordelijkheid van politici, militairen en ambtenaren. Bovendien wordt hiermee een eerlijke rechtsgang belemmerd.

a.

Feesten tijdens de massamoorden


In het volle besef dat de massamoorden nog in volle gang waren werden de gevluchte Dutchbatters na hun aankomst op 21 juli 1995 in Camp Pleso in Zagreb feestelijk onthaald met een heldenontvangst door belangrijke personen van Koninklijk huis (prins Willem-Alexander), regering, leger en pers. Minister Voorhoeve had op 21 juli zijn vrees voor massamoord uitgesproken. Onze bekende generaal Hans Couzy verklaarde op de persconferentie aldaar op kenmerkend genoeg dat er absoluut geen aanwijzingen voor 'genocide' waren.

Karremans sprak achteraf voor de verzamelde wereldpers nog eens zijn nadrukkelijke waardering uit voor de Serviërs en Mladic in het bijzonder. Gaf waar hij kon sneren weg over de zwaar getroffen Moslim inwoners.
Hij werd overigens snel beloond met een bevordering tot kolonel, en kreeg een rustgevende overplaatsing naar Virginia, USA.
Karremans blijft tot dusver bij hoog en bij laag beweren dat de Dutchbatters de ware slachtoffers waren. Schuift kortom al zijn verantwoordelijkheid af.
"Dutchbat-commandant Karremans, die vandaag uit Srebrenica in Zagreb aankwam, ontkent dat hij of zijn manschappen getuigen zijn geweest van gruweldaden. Ook generaal Couzy, bevelhebber Landmacht, zegt geen bevestiging hiervan te hebben. Beiden stellen geen bevestiging te hebben van de vermeende genocide. Maar de moslim-vluchtelingen uit Srebrenica getuigen van gruweldaden. Zelfs ministers Pronk en Voorhoeve spraken onlangs van genocide op de Bosnische bevolking. En in deze NOVA-aflevering getuigen enkele Nederlandse VN-militairen, die al een paar dagen geleden terugkwamen, ook van gruweldaden in Srebrenica.
Karremans roemt de correctheid van de Bosnisch-Servische generaal Mladic m.b.t. de evacutie van de vluchtelingen.
" (NOVA, 22-7-1995, over de persconferentie in Zagreb van Karremans en Couzy; reportage, interviews).
Couzy zou hierna wegens zijn ontkenningen en voorgewende onwetendheid als 'generaal Blindganger' onder journalisten bekend staan.

b.

Vernietigen van bewijsstukken.


In de periode kort na de ramp hebben militairen 'per ongeluk' allerlei belangrijke belastende bewijsstukken - documenten, fotorolletjes - zoek gemaakt of vernietigd, waaronder de fotoreportage van 13 juli van luitenant J.H.A. (Ron) Rutten.
Generaal Couzy verklaarde doodleuk dat hij zijn archief met betrekking tot Srebrenica vrijwel geheel vernietigd had.
Verder werden de relevante archiefstukken van Koninklijke Landmacht - de Operationele Staf, van de Crisis Staf, van het Eerste Legerkorps en van de Luchtmobiele Brigade - vernietigd voordat ze onderzocht konden worden (zie NIOD-rapport, 2002, bijlage).
Dit heeft alle schijn van belemmering van de opsporing, hetgeen als een misdrijf geldt.

c.

Zomerreces na een massamoord.


Zomer 1995 was er, na de val van Srebrenica, bij de Tweede Kamer leden geen animo voor een debat over Srebrenica. Men ging liever op zomerreces.

d.

Schijn-onderzoeken.


Er wordt sinds de nazomer van 1995 een lange reeks commissies aan het werk gezet, onderzoeken uitgevoerd, en rapporten opgesteld die jarenlang weinig anders hebben opgeleverd dan hetzij vaagheden en halve waarheden, hetzij misplaatste vergoelijkingen en excuses ten gunste van de verantwoordelijke politici, militairen en ambtenaren, en zelfs ten gunste van de daders/ oorlogsmisdadigers en tegen de slachtoffers.

Het debriefingsrapport Srebrenica

.
Minister Voorhoeve wilde na de dramatische val van Srebrenica, eindelijk opheldering over wat er was misgegaan rond de val, en gaf Defensie opdracht tot een debriefing onderzoek.
Generaal Couzy veranderde volgens Kreemers die doelstelling echter in een debriefing. Via een brief riep hij de Dutchbatters op om mee te werken aan de grote debriefing in Assen. Deze debriefing zou bedoeld zijn als nazorg voor de militairen en de informatie die naar voren kwam, zou vertrouwelijk blijven. Aldus Bert Kreemers, van 1991 tot 1999 plaatsvervangend directeur Voorlichting (NOS-Journaal, 20-11-2002; parlementaire enquêtecommissie Srebrenica).
Via interviews met Dutchbatters werd een 'feitenrelaas' opgesteld, en een samenvatting hiervan vormde het uiteindelijke rapport. Vervolgens sijpelden al gauw berichten door, onder meer van teleurgestelde ex-Dutchbatters, dat in deze verklaringen alle politiek gevoelige zaken expres waren weggelaten, zoals het met een pantserwagen doodrijden van vele moslims en het zogenaamd mislukken van diverse fotorolletjes.
De afdeling van Bert Kreemers stelde naar aanleiding na de verschijning een lijst op met vijftig aandachtspunten, dat wil zeggen feiten die onduidelijk waren of niet werden gemeld.
Opnieuw bleek dat generaal Couzy, toenmalig bevelhebber van de landstrijdkrachten, er verantwoordelijk voor was dat minister Voorhoeve van Defensie destijds onvoldoende tijdig en adequaat werd geïnformeerd over de gebeurtenissen rond de val van Srebrenica. (NOS-Journaal, 20-11-2002; parlementaire enquêtecommissie Srebrenica).
Jacques de Winter, tussen 1994 en 2001 directeur Algemene Beleidszaken bij het ministerie van Defensie, bevestigde het beeld dat Couzy ten koste van alles wilde voorkomen dat de landmacht of Dutchbat in een kwaad daglicht kwam te staan. Volgens De Winter is bewust aangestuurd op beschadiging van de minister. Aanleiding hiervoor waren geluiden over onderhandelingen over een deal tussen de Servische generaal Mladic en VN-generaal Smith. Minister Voorhoeve had de pers laten weten dat er geen deal was. De landmachttop lekte daarna naar de pers dat dat wel degelijk het geval was. De Winter: " Er is nooit een duidelijker poging gedaan om een minister te beschadigen" (NOS-Journaal, verslag 20-11-2002, parlementaire enquêtecommissie Srebrenica).

Het rapport Commissie Van Kemenade

.
De vele weglatingen en onjuistheden bij het 'debriefingsonderzoek' waren aanleiding tot het instellen van een commissie die de waarheidsvinding rondom Srebrenica moest onderzoeken. Inmiddels was augustus 1994 Frank de Grave (VVD) aangetreden als minister van Defensie. Hij wees aanvankelijk CDA-politicus Job de Ruiter, eerder minister van Defensie in het kabinet Lubbers I, aan als onderzoeksleider. Deze zei gretig ja, maar het geval wilde dat diens handtekening uitgerekend 'ter buitengewone kwaliteitswaarborging' prijkte onder datzelfde debriefingsrapport: De Ruiter zou dus, heel comfortabel, onderzoeker in eigen zaak worden. Hiertegen werd scherp geprotesteerd, met name door de grootste vakbond van defensiepersoneel VBM-NOV. De Grave beriep zich prompt op 'verkeerde ambtelijke adviezen'. Hij stelde hierop Van Kemenade aan als onderzoeksleider. Dat bleek uiteindelijk weinig verschil te maken, want onder zijn toezicht werden alle misstappen en manoeuvres naar het rijk der fabelen verwezen, of zodanig geminimaliseerd dat niets ernstigs te verwijten overbleef. Het rapport concludeerde onomwonden dat er geen doofpottencultuur was bij Defensie. Deze conclusie nam minister De Grave met graagte over.
Het NIOD-rapport zou later erkennen dat de commissie Van Kemenade helemaal niet op waarheidsvinding uit was.

Rapport Commissie Bakker.


Vervolgens werd een commissie ingesteld die Nederlandse deelname aan vredesmissies onderzocht, inclusief die voor Srebrenica, met als voorzitter werd Bert Bakker (D66). Het rapport verscheen 4 september 2000.
Gevraagd naar zijn meest verbazende bevinding noemde Bert Bakker: "De fuik van de besluitvorming. Je geeft toestemming, omgeven met veel mitsen en maren, en je kunt daarna niet meer terug. [..] En, als een besluit eenmaal is genomen dan bestaat er in de Tweede Kamer geen belangstelling meer voor. Dan gaat men over tot de orde van de dag. [..] Maar je hebt hier met menselijk materieel te maken." Bakker wees ook op de onbetrouwbare informatie en chaotische communicatie: "Bij de aanval op Srebrenica kreeg het ministerie van Defensie in Den Haag tegenstrijdige adviezen. Over de bedoeling van het Bosnische-Servische leger bestonden drie verschillende opvattingen. Die waren gebaseerd op gevoelens, niet op feitelijke gegevens. [..] De informatievoorziening was sowieso zeer gebrekkig. De informatiestromen liepen langs elkaar heen en er was heel veel miscommunicatie." (NRC, 4 september 2000). Bakker bevestigde hiermee overigens dat het Nederlandse ministerie van Defensie een eigen - en oneigenlijke - lijn van beleid en bevel onderhield met Dutchbat, dwars door de bevelsstructuur van de VN heen.

f.

De officiële geschiedvervalsing


Tenslotte verschijnt 10 april 2002 het rapport van het NIOD over Srebrenica. Het bevat ruim 4000 pagina's met een enorme brei aan details, onder het mom van "complexe veelzijdigheid" (in het kader van de rookgordijn-strategie).
Op deze veelomvattende inhoud kan op deze plaats slechts globaal worden ingegaan.
Het NIOD-rapport wordt presenteert zich als een wetenschappelijk verantwoord historisch verslag. En inderdaad passeert een lange stoet feiten en incidenten de revue, afwisselend geordend naar tijd, plaats of onderwerp. De feitelijke gegevens, hoe schokkend bizar, absurd of gruwelijk ze vaak ook zijn, worden opvallend vaak verteld op een lakoniek om niet te zeggen toontje, dat kennelijk hoort bij 'neutraliteit' maar eerder past bij een modern schoolboekje op de basisschool. Zodra het overvloedige feitenmateriaal geordend en geanalyseerd moet worden, worden zowel het empirisch-beschrijvende als het logische inferentie-niveau spoorslags verlaten. Er wordt vrijelijk gestrooid met terloopse interpretaties, in de vorm van kwalificaties, commentaren en conclusies. Het hele rapport ademt de geest van overdeterminatie over zaken die volstrekt niet objectief 'hard' te maken zijn, en systematische minimalisering van feiten die volkomen evident en objectief 'hard' te maken zijn.

Door het hele rapport heen zijn de feitelijke vermeldingen vermengd, doordrenkt en verweven met partijdige interpretaties. Deze zijn beslist niet lukraak maar laten een tendentieus stramien zien: ze blijken consequent gunstig voor de Nederlanders, mild voor de Serviërs, en, hoe verrassend, weer neerbuigend voor de Bosniërs.
Eigenlijk leest het NIOD-rapport als een gigantische pleitnota a décharge van de verantwoordelijke Nederlanders. De NIOD-onderzoekers tonen zich in dit mega-pamflet in sterke mate partijdig, zij profileren zich als advocaten van Dutchbat en de Bosnisch-Servische belegeraars. Daarbij tonen zij zich spreekbuis van de toenmalige Servische propaganda, inclusief vele insinuaties en beschuldigingen tegen de Bosnische Moslims.

De hoofdlijnen in het bedrog en misleiding die door het NIOD door middel van drogredenering worden gevolgd, zijn drievoudig: misplaatste psychologisering. (gedachtelezen), frivole waarde-oordelen en arbitraire causale attributies.

1.

Gedachtelezen: het 'inlevingsrelaas'.


Het NIOD-onderzoek lijkt een gigantische oefening in mind reading. Alle keuzes van Nederlanders, met name militairen en vooral Dutchbatters, moeten 'begrijpelijk' gemaakt worden. Begrijpelijk niet zozeer vanuit feiten en logica, die toetsbaar en bediscussieerbaar zijn, maar vanuit wat niet-waarneembaar, onverifieerbaar en onbetwistbaar is: gedachten en gevoelens. De 'feiten' die het NIOD aandraagt zijn gegoten in een waar 'inlevingsrelaas', die eenzijdig een weerspiegeling biedt van de belevingswereld van Dutchbat, welke doortrokken was van goede bedoelingen, gerede vrees en kommervolle gedachten. Er is duidelijk gezocht naar de ' maximaal acceptabele verzachtende geestesgesteldheid'. volledig en schaamteloos ostentatief ter verdediging van Dutchbat.
".. de hele eigen verantwoordelijkheid en schuld wordt weggepsychologiseerd". Er wordt " zeer genuanceerd geluisterd naar de Dutchbatter", maar met name de Bosnische beschermelingen worden weer niet of nauwelijks gehoord (Mr. Verrijn Stuart: 25-3-2009. in 'De Staat van Ontkenning').

2.

Subjectieve waarde-oordelen.


In het NIOD-rapport worden ook op talrijke plekken arbitraire evaluaties en kwalificaties gegeven aan de feiten. Ook deze zijn meestal partijdig te noemen, eenzijdig in het voordeel van Nederlanders en Serviërs, en tegen de Bosniërs. Ze komen niet alleen tot uiting in de vele citaten waarin Nederlanders hun beweegredenen mogen uitleggen.
Een kenmerkend voorbeeld is de vermelding op pagina 2148 van de brandbrief die de Bosnische premier Haris Silajdzic op 10 juli 1995 richtte aan Willy Claes, Secretaris-generaal van de NAVO, in een ultieme poging om bescherming voor zijn mensen af te smeken. Let wel, op dat moment waren de Serviërs al vijf dagen bezig het 'veilige gebied' te beschieten, de uitgeputte bevolking voor zich uitdrijvend, en stonden op het punt het stadje Srebrenica in te nemen - terwijl de Dutchbatters die voor bescherming hadden moeten zorgen gewillig alle observatieposten inclusief wapens en materieel overgaven en veelal gedwee met de belagers meewerkten of zich vrijwillig als hun gijzelaars aanboden. Het NIOD vermeldt dat op deze brief niet is gereageerd. Daarbij wordt in een noot fijntjes opgemerkt, dat dit niet verwonderlijk is gelet op de 'toon' van de brief! Hiermee valt het NIOD volledig door de mand.
Hans Blom en de zijnen spreken bijvoorbeeld stellig van een "onhelder mandaat" - verzwijgend dat andere VN-troepen helemaal geen moeite hadden met de bedoeling van het mandaat, maar dat massieve ontmanteling van het mandaat had plaatsgevonden middels de meest formele, strikte, minimalistische, selectieve anti-interventie interpretatie die er van te maken viel.
In deze categorie valt ook het opzettelijk vaag, complex en warrig presenteren van de gebeurtenissen. Het NIOD-rapport roept een beeld op van een geschiedenis die zo vol dubbelzinnigheid was, een warrige massa van nagenoeg gelijkwaardige opties, dat daar met de beste bedoelingen niks zinnigs van te maken viel.

3.

Arbitraire oorzaak-gevolg uitspraken.


In het NIOD-rapport vindt tevens enorm veel causale attributie plaats.
Allereerst is daar de bekende 'logica van voldongen feiten', mauvaise foi en faits accomplis. Hiervan is het gehele rapport doortrokken. De bedoeling is om het 'aannemelijk te maken' - het echt aantonen is onmogelijk - dat de omstandigheden, met name het beschreven handelen van alle anderen behalve Dutchbat c.q. Nederlanders, in combinatie met geponeerde inhoud en aard van de vermeende gedachten en gevoelens der betrokkenen, een welhaast onontkoombaar sturende en dwingende werking hadden op het handelen en beslissen van de Dutchbatters c.q. Nederlanders. Het gevolg was een onafzienbare reeks 'ongelukjes', toevalligheden, onvoorziene missers, enz..
Verder zijn er de gemaakte keuzes van Nederlanders die toevalligerwijs eigenlijk allemaal achteraf gezien toch de beste waren, of in ieder geval de minst slechte. Mits men ter compensatie van het overvloedig broddelen, stuntelen en blunderen bepaalde speculatieve causale aannamen maakt in de vorm van tactisch gekozen verklaringen en voorspellingen.

Zo is daar de geringe omvang van de Dutchbat-aanwezigheid. Duidelijk geen sterk punt in het strategisch denken, zou men zeggen, gelet op de situatie in het strijdperk. Dan wordt echter een alibi bedacht: een grotere aanwezigheid had "weinig uitgemaakt", want de problemen met logistiek en dergelijke waren dan nog groter geworden. Hoewel je die dan beter had kunnen bewaken natuurlijk.

Ander voorbeeld is het speculeren over het 'effect' van de luchtaanvallen die op 11 juli uiteindelijk plaatsvonden, voor zover je dat kunt zeggen gezien de geringe schaal en kortstondige duur. Het NIOD weet stellig te beweren dat de Serviërs hierdoor enkel maar des te sneller zijn opgerukt. De suggestie is duidelijk: het is maar goed dat de luchtaanvallen gestopt zijn. Onmiskenbaar een causale verklaring uit chronologie, oftewel de drogreden post hoc ergo propter hoc, die gekenmerkt wordt door het veronachtzamen van de baseline conditie en een selectieve interpretatie van de interventieconditie. Deze kolossale drogreden roept direct tenminste twee essentiële vragen op:
(1)

Zonder enige interventie: veel meer negatief effect

.
Wat was er gebeurd als de luchtaanvallen echt totaal achterwege waren gebleven? Kan het NIOD hard maken dat het Servische leger dan niet nog veel sneller en gewelddadiger zou zijn opgerukt? Het bewijs hiervoor kan het NIOD niet leveren, en valt ook gevoeglijk uit te sluiten. Het is immers bekend dat Mladic wel degelijk beducht was voor luchtaanvallen, en pas verder ging met de opmars wanneer bleek dat deze uitbleven.
(2)

Met voldoende interventie: geen of veel minder negatief effect

.
Wat was er gebeurd als de luchtaanvallen echt serieus waren geweest, dat wil zeggen: snel, robuust, grootschalig, trefzeker en langdurig genoeg om alle wapensystemen van de Serviërs uit te schakelen? De vraag stellen is hem beantwoorden. Alle feitelijke gegevens wijzen er immers op dat de gemakkelijk op die manier met de geavanceerde luchtwapens van de NAVO hadden kunnen worden uitgeschakeld.
Met andere woorden, er was steeds overvloedig bewijs voor de aannemelijkheid van de laatste twee alternatieve opties, en dit betekent een fatale weerlegging van de stelling van het NIOD.

Als het NIOD helemaal geen verklaring of voorspelling meer kan verzinnen om gemaakte keuzes te vergoelijken, heeft het een beproefd sluitstuk paraat: alles wat gedaan of nagelaten werd was te wijten aan de 'fog of war '.
Interessante mengvormen komen voor van causale attributie en gedachtelezen. Wanneer bijvoorbeeld blijkt dat een gegeven bewering of verklaring, al dan niet onder ede gedaan, onjuist is, dan wordt deze als algemeen principe geweten aan acuut, spontaan, algeheel geheugen-deficiet.

Behalve innerlijke roerselen komen vooral ook complexe interacties tussen Nederlanders aan bod: politici, ambtenaren en militairen in Den Haag, Dutchbatters en vele Nederlandse militairen bij de diverse VN-posten. Deze blijken eigenlijk hoofdzakelijk te bestaan uit misverstanden. Het beeld verrijst van een onontwarbare kluwen van miscommunicatie en enigszins hysterische groepsdynamiek. De algehele situatie wordt beschreven als een groteske, zich jaren voortslepende en lichtelijk amusante soap . De voordelen hiervan zijn overduidelijk: alle mogelijke verantwoordelijkheden van individuen worden verspreid en vervloeid over alle betrokkenen, totdat een zodanige verdunning bereikt is dat niemand nog aanspreekbaar is, en alle nalatigheden, fouten en wandaden louter nog zijn te begrijpen als ongelukkige misverstandjes.

Naast systematisch overdeterminatie van vergoelijkende factoren is er dus de systematische onderdeterminantie van belastende factoren. Over de voorzienbaarheid van de massamoorden hebben de NIOD-onderzoekers ook een fraaie mind-bug paraat: er was weliswaar een kans dat nog meer onaangenaamheden zouden plaatsvinden dan al waarneembaar was, maar "de 'schaal' waarop gemoord werd, was niet voorspelbaar." [..] Aantallen van zeven tot negen duizend, "die schaal was niet voorspelbaar". (Paul Koedijk, namens het NIOD, in NOVA, ca. 2005..2007?). De implicatie is uiteraard tweeleding: zonder deze voorzienbaarheid was er geen redelijke grond om in actie te komen; en was het terecht dat Karremans, Couzy, Voorhoeve en anderen de aanwijzingen voor massamoorden ontkenden. De onmiddellijke vraag van de pientere reporter moest natuurlijk gericht zijn op contra-indicaties voor deze stellige uitspraak. Bijvoorbeeld door contrapositie van de deductieve relatie: 'Oh? Wat was dan wèl voorspelbaar? Een aantal van 10, 100, 1000 .. ? Zou dat wel voldoende zijn geweest ?' Maar ja, die vraag kwam niet. En iedereen tuinde er weer blind in, en Nederland bleef behaaglijk in slaap.

De conclusies en evaluaties van de NIOD-rapporteurs houden in veel gevallen dan ook geen logisch verband met de massale hoeveelheid gerapporteerde feiten of staan daar zelfs haaks op.
Zoals verwacht werd de NIOD rapportage door de betrokken politici en militairen met graagte aangenomen als een 'objectief historisch document' waarmee men goed zijn voordeel kon doen.
1.

Politici.


Op 16 april 2002 valt het kabinet over het NIOD rapport. Dat zou destijds, in zomer of nazomer van 1995, als een eerste stap wel betekenisvol zijn geweest. Maar nu was dit aftreden, vier weken voor de verkiezingen en zonder noemenswaardige consequenties voor de praktijk, niet erg relevant: 7 jaar te laat, een 'dooie mus' die geen verschil meer maakte, een leeg gebaar, opnieuw louter symboliek, een vermijdingstruc om de verantwoording tegenover het parlement te ontlopen. Wim Kok hield een rede die weer met veel handenwringen gepaard ging en nog meer 'ik wist niet' uitvluchten.
Het debat over Srebrenica van 25 april 2002 was eveneens een farce. Kok maakte gretig gebruik van het NIOD-rapport om op elke kritische vraag een non-antwoord te geven: hij haalde nog eens zijn 'niet weten' van stal, en wist weer elk spoor van inhoud in zijn commentaar te vermijden: zoals hij eerder zei niet te willen vooruitlopen op het NIOD-rapport, zo wilde hij nu weer niet vooruitlopen op de parlementaire enquête.
Het parlement liet zich hiermee weer volledig met een kluitje in het riet sturen - zoals steeds in de discussies over Srebrenica: van 1993 tot en met heden.
"Commandant Karremans, zijn plaatsvervanger Franken, hun - Nederlandse - superieuren in Sarajevo en Zagreb, de legerleiding in Den Haag, ministers en de politici, niemand heeft in de afgelopen jaren zijn functie neergelegd om daarmee persoonlijk zijn verantwoordelijkheid voor deze tragedie te nemen. Karremans werd zelfs nog bevorderd. Zouden ze wel in functie zijn gebleven als zevenduizend Nederlanders waren vermoord? Ik vind hun houding schokkend en onbegrijpelijk" (David Rohde, ' Dutchbat zweeg', de Volkskrant, 8 april 2002).
"De premier greep het NIOD-rapport aan om zelf 'heroïsch' de aftocht te blazen. Hij werd van de ene op de andere dag een 'held van de terugtocht', net als Dutchbat in 1995." (Jos de Beus, hoogleraar politicologie UvA, 'Politiek kiest opnieuw voor vlucht naar voren', De Volkskrant 20-4-2002).

2.

Militairen.


De Dutchbat militairen voelden zich door het NIOD-rapport 'gerehabiliteerd'. Zij werden immers bevestigd in het zelf gecreëerde drogbeeld dat zij niets wisten en niets konden.

3.

Serviërs.


De 'Waarheidscommissie' in Belgrado toonde zich - niet verwonderlijk - erg blij met het rapport van het NIOD. De Servische oorlogsmisdadigers werden in het rapport immers uiterst gunstig beoordeeld .. De commissie vergaste het onderzoeksteam van Hans Blom in juni 2002 op een warm onthaal waarmee men zich weer reuze verguld toonde.

f.

Het ritueel van de parlementaire enquête.


Ten slotte werd eindelijk de lang gewenste parlementaire enquête gehouden. Op 27 januari 2003 verscheen het rapport van de enquêtecommissie onder leiding van Bert Bakker van D66.
De conclusies gingen iets verder dan die van het NIOD, maar overheersend was de relativerende en vrijblijvende teneur: ieder had zo zijn mening en inschatting van het gebeuren, niemand wist eigenlijk van de hoed en de rand, en indien wel, dan sijpelde de informatie niet door waar die nodig was. Hier en daar was wat onhandig, slordig of laks gehandeld. Achteraf staat men wat beteuterd te kijken. Het is allemaal wat anders gelopen dan was verhoopt. Al met al was het allemaal betreurenswaardig. Kortom, zo moeten we het voortaan maar liever niet meer doen, als het even kan.

8. De ware toedracht wordt nog steeds verdoezeld met doorzichtige uitvluchten

.
Dutchbat stond erbij, keek er naar, verleende hand- en spandiensten, en deed later alsof het van niets heeft geweten. Achteraf proberen militairen en politici uiteraard elk vermoeden van heulen met de vijand weg te nemen. Daarom doen zij steeds opzichtig pogingen om de Servische daders te verdedigen - en daarmee zichzelf. De houding van de militairen ten aanzien van de tragedie wordt gekenmerkt door een aantal tactische vertekeningen van de werkelijkheid.

a.

Beroep op onwetendheid.


Een steeds terugkerend verweer van politici, ambtenaren en militairen heeft de strekking: ' We wisten het niet, dus we konden niet anders'. Men beroept zich op onvoldoende of gebrekkige informatie. Of de informatie bestond wel, maar was niet beschikbaar, althans niet in het subjectieve blikveld van betrokkenen.
"Geen van de Nederlanders kon zich voorstellen dat de Serven tot zo'n slachting in staat waren, een vorm van barbarij die je in het Europa van 1995 [!] niet meer voor mogelijk houdt" (Wim van Eekelen, in: Elsevier, 23-12-1995, p.23-28).
Hans van Mierlo serveert ons hier nòg een knallende contradictie: "We wìsten wat de strijdende partijen elkaar aandeden ...". Om in dezelfde adem uit te roepen: " Dat ze dit zouden dóen, dat kun je je toch niet vóórstellen!"
Ook de Dutchbat commandanten Karremans en Franken "konden niet vermoeden dat het uit zou lopen op massamoord ", zo beweert ook het NIOD rapport van 2002.
Dit zijn schandalige leugens. Er was in het directe blikveld van Dutchbat al een overweldigende hoeveelheid aanwijzingen dat de gewoonte van Mladic om massale oorlogsmisdaden te plegen, ook hier 'gewoon' doorgang zou vinden. Deze gewoonte was al jarenlang voor iedere betrokkene bekend via de media: en zeker voor de gemiddelde Dutchbat-soldaat.
Majoor Franken bekende zelfs tegenover het Joegoslaviëtribunaal dat hij wist dat hij de mannen overleverde aan hun slachters. "Gezien de reputatie van de Serven verwachtte ik dat ze zouden gaan moorden", en op de vraag "Dus u wist dat u de mannen overleverde aan hun slagers?": "Dat is correct" (Rob Franken, april 2000, Trouw 8-4-2000 resp. NRC 5-4-2000, p.5).
Treffend zijn ook de vele demonstraties van acuut geheugenverlies, onder de standaard geworden frase: " Daar heb ik geen herinnering van".
Dat zijn ideale uitvluchten om verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te ontlopen. Het is natuurlijk niet direct aantoonbaar dat mensen bepaalde informatie wèl tijdig en voldoende 'in hun hoofd' hadden. Het is in de zaak Srebrenica echter volkomen aannemelijk dat de verantwoordelijken de ware toedracht redelijkerwijs hadden kunnen weten gelet op de overvloedige informatie die onmiddellijk en (bijna) onontkoombaar beschikbaar was. En als ze daar echt van hadden wíllen weten, dat zouden ze het absoluut zeker hebben geweten. Dat ze vermeden om het weten valt hen als eerste te verwijten, dus dat hebben ze in ieder geval op hun 'geweten'.

b.

Een beroep op onmacht.


De Nederlanders geven zichzelf achteraf een brevet van onvermogen. Dat is een effectief ontslag van verantwoordelijkheden. Dit verweer kan worden uitgesplitst in een aantal subargumenten:
1.

Zelf-gekozen zwakte.


Eerste excuus was de onvoldoende of gebrekkige militaire slagkracht, strijdwaardigheid. Dit als gevolg van onvoldoende of ongeschikte manschappen, uitrusting, bewapening, voorraad, enzovoorts. Hoewel daar tevoren opzettelijk voor gekozen was. Men had welbewust de zwakste Nederlandse legeronderdeel naar de gevaarlijkste plek in Europa gezonden.
Dit was bedoeld "om te onderstrepen dat de missie niet militair was, maar van de VN: internationaal" (Hans van Mierlo). Eens even kijken: diende een missie die internationaal was, van de VN, alleen om die reden niet militair te zijn en derhalve van geringe slagkracht? Alsof zulke absurde 'onderstrepingen' in die vier jaar ooit iemand van íets heeft overtuigd.
Ook diende de krachteloze vredesmacht voor de landmacht "om de Serviërs niet te provoceren" (generaal Maarten Schouten). Maar ja, dat een kennelijk gebrek aan weerbaarheid de agressie van een kwaadwillende partij pleegt uit te nodigen, werd er niet bij gezegd. De Serviërs werden immers niet als kwaadwillend gezien.

2.

Gevaren en risico's.


Naderhand beweerden de officieren met grote stelligheid dat de bereidheid bestond om desnoods offers te brengen in de strijd.
Dat wekt bevreemding. Toen het op vechten aankwam was één dodelijk slachtoffer (Raviv van Renssen) aan eigen zijde, voldoende om elk spoor van eventuele vechtlust der Dutchbat soldaten te laten wegvloeien - zo hebben vele Dutchbatters bij terugkeer laten weten.
Natuurlijk heeft niemand gevraagd om een bereidheid tot zinloze offers. Maar het feit dat de daders nu Moslim strijders waren, was net níet een geldig excuus om nu in plaats van weinig, helemaal niets meer te doen.

3.

Zelf-verklaarde 'Oenigheid'.


De onderneming wordt als infantiele 'spielerei' voorgesteld. Op allerlei cruciale momenten werden belangrijke zaken door hoog gekwalificeerde en zeer competente taakhebbenden op verbazende wijze klungelig verprutst. Een onafzienbare reeks misverstanden, mis communicaties, versprekingen, verschrijvingen, vergissingen, misgrepen, en andere 'ongelukjes'. De vele rapporten staan er vol van. Treffend voorbeeld is de ' bad hair day' van de plotseling tot alcoholisme vervallen fotorolletjes-ontwikkelexpert van Defensie, die nog twee (!) dagen na een 'feestje' vakonbekwaam heette te zijn geweest.
Opmerkelijk genoeg pakten de vele missers meestal gunstig uit vóór de positie van de topfiguren. Dat betrof uiteraard bij uitstek Hans Couzy, de ongeëvenaarde meester der virtuoze 'oenigheid'.

4.

het 'foute besluit'.


Het enige keuzepunt zou de politieke beslissing tot uitzending van het weinig strijdvaardige Dutchbat zijn geweest. Hierin wordt de hoofdoorzaak van het debâcle gezocht.
NIOD-onderzoek Paul Koedijk stelde het zo: "Dutchbat is uitgestuurd op basis van een oneigenlijk besluit. Daardoor werd Dutchbat voor 'onmogelijke' morele dilemma's geplaatst. Iedere keuze werd een keuze tussen twee kwaden" [nl. tussen eigen veiligheid of die van protegees - CvdV] (' De grenzen van de moraal', debatavond IKV-Pax Christi, 26-9-2002).

De beslissing tot militaire interventie wordt zelfs als oorzaak van de val van Srebrenica voorgesteld: " Het Westen besloot tot een humanitaire interventie met militaire middelen, die uiteindelijk tot de dramatische val van Srebrenica zou leiden." (Willem de Bruin, 'Het Falende Zwaard van de Moraal', de Volkskrant, 02-11-2002).
En deze keuze wordt nota bene voor een flink deel in de schoenen geschoven van de 'moralistische media', dat wil zeggen, met name degenen die juist gepleit hebben voor èchte, effectieve militaire interventie ter bescherming en verdediging van mensen op de Balkan - in plaats van de schandalige schijnvertoning die de Nederlandse Landmacht uiteindelijk opvoerde.

5.

De 'fuik'.


De val van Srebrenica wordt, in navolging van het Nederlandse politieke beleid, wederom voorgesteld als een vervelend ongeluk dat tevoren niet te voorzien was en evenmin was te voorkomen. Er had een welhaast 'automatische' afwikkeling van onafwendbare gebeurtenissen plaatsgevonden.

6.

Domme pech.


De ramp van Srebrenica was wat betreft de Nederlandse verantwoordelijken niet veel meer dan een onvoorzien ongeluk.
"Het is afgrijselijk misgegaan", zegt Joris Voorhoeve. Er was de éne tegenvaller na de andere. Allemaal onvoorzien en niet te voorkomen.
Grootste pech was natuurlijk dat Mladic tòch plotseling, ongenood, binnenviel. En dat hij vervolgens ondanks zijn vertrouwenwekkende woorden, zijn manschappen zomaar aan het moorden liet slaan. Wim Kok: " Het is ons overkómen!" (25 april 2002 tegenover de Tweede Kamer).

c.

Zelfbeklag van pseudo-slachtoffers


De Nederlandse militairen poseren zich als welhaast de grootste slachtoffers in het drama.
Niet de bedrogen en sterk gedecimeerde Moslims zouden begrip en erkenning verdienen, maar allereerst en vooral de Dutchbat soldaten, die immers "in de steek zijn gelaten" door welhaast ieder in binnen en buitenland.
(·)

Geen hulp of bereidwilligheid van andere landen.


Hoewel dit vanaf het begin duidelijk was, en de Nederlandse politiek juist om die reden in 1993 de verantwoordelijkheid op zich had genomen om zich voor de bescherming in te zetten.
(·)

Geen luchtsteun door de VN.


Hoewel alle aanvragen en initiatieven tot luchtsteun door toedoen van eigen mensen - militairen op cruciale VN-posten en politici vanuit Den Haag - werden getraineerd, verhinderd of afgeblazen.
(·)

Het 'verraad' van de Moslim strijders.


Zij sloegen op de vlucht toen bleek dat de Dutchbatters dagenlang passief bleven tijdens de Servische aanval, en zelfs aan de Serviërs gehoorzaamden, terwijl keer op keer luchtsteun was beloofd die steeds weer uitbleef - en lieten Dutchbat dus 'in de steek'. Hoewel deze Moslims, door Dutchbat beroofd van hun bewapening, terwijl hen de teruggave van hun wapens steeds werd geweigerd zodat zij vrijwel weerloos zouden zijn tegenover de notoire moordenaars van Mladic, wèl wisten dat ze anders wellicht in nog grotere getale werden uitgemoord.
Los daarvan deed het gedrag van de Moslim strijders niets af aan de taak van Dutchbat om de bevolking - vrouwen, kinderen, ouderen - te beschermen, en daarnaast elementair oorlogsrecht te handhaven tegenover de zwakste partij.
(·)

Slechts 'onbegrip' van de buitenwereld.


Ondanks alle vertoon van goede bedoelingen liet een unanieme waardering door publiek en buitenland op zich wachten.

Uiteraard zijn de Dutchbat soldaten niet te benijden. Maar ze zouden waarschijnlijk serieuzer worden genomen als ze wat meer respect en begrip zouden tonen voor de werkelijke slachtoffers, en hun eigen verantwoordelijkheid zouden erkennen ten aanzien van de gebeurtenissen.
Treffend is de oproep van kolonel De Jong aan het Nederlandse volk: "Laat nooit meer Nederlandse militairen zo vallen als met Dutchbat is gebeurd".
Graag willen wij deze variant tot de Nederlandse militairen richten: 'Laat nooit meer bedreigde bevolkingsgroepen zo vallen als met de Bosnische Moslims van Srebrenica is gebeurd'.

d.

Verdediging van de massamoorden.


Later proberen Nederlandse militairen de deportatie en massamoord door de Serviërs voor te stellen als "geïmproviseerd" en niet vooraf gepland. De massamoord vanuit een spontane inval.
Dat is hoogst onaannemelijk gezien de hoge graad van logistieke organisatie en 'efficiency' die deze 'operaties' kenmerkten en die op gedetailleerde planning wijzen. Binnen één nacht waren vele tientallen bussen voor de deportatie geregeld, er waren meerdere 'executiecentra' ingericht, talrijke vrachtwagens kwamen aan om stapels lijken af te voeren, en bulldozers waren spoedig paraat om de bergen lijken op talrijke lokaties onder de aarde te malen ..
"Het was een grondig geplande operatie. Iedere man wist goed wat te doen" (Kapitein Rutten, Trouw 8-4-2000).
Ook onderzoeksjournalist David Rohde zegt in zijn boek Endgame dat de massamoord tot in detail was voorbereid.
Kortom, de beslissing tot daadwerkelijke uitvoering van de operatie is wellicht ter plaatse gevallen, maar voornemens en voorbereidingen moeten al ruim tevoren vast hebben gestaan.
De suggestie van volkomen spontane actie dient duidelijk de door Nederland gecreëerde mythe van de 'onvoorspelbaarheid' van de massamoorden. Immers, als de Serviërs de massamoord al niet van plan waren, hoe konden de Nederlanders het dan voorzien?
Vervolgens liep het even wat anders. De massamoord gebeurde, zo heet het, "onder de druk der gebeurtenissen ". Het was dus ook voor de Serviërs een ongelukje. Nòg een reden waarom de Nederlanders het niet konden voorzien ..
"Het Niod spreekt tegen dat er geheime deals zijn geweest tussen de Franse generaal en VN-opperbevelhebber Bernard Janvier en de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic. [...]
Ook de massamoord kwam als verrassing. Volgens het Niod was daarvoor geen vooropgezet plan
" (Het Parool, 10 april 2002).
Verder stellen Nederlandse militairen dat de Serviërs uit 'wraakgevoelens' zouden hebben gehandeld, vanuit de hoog opgelopen emoties van het moment. Zij zouden zich immers onverhoeds getart hebben gevoeld door het grote aantal Moslim mannen die het zowaar waagden om te vluchten in een laatste wanhopige poging om aan hun naderende einde te ontkomen, in plaats van zich onmiddellijk totaal passief aan hun beulen over te leveren ..

e.

'Blaming the victim'.


Net als de Serviërs hebben de Nederlandse militairen zich gespecialiseerd in het beschuldigen van de slachtoffers. Ze hebben daar ook een fraaie formule voor gevonden: "De Bosnische Moslims hebben de Servische agressie over zichzelf afgeroepen".
Dat de Moslims van Dutchbat geen bescherming kregen, of zelfs het tegendeel daarvan, wordt eveneens voorgesteld als hun eigen schuld. Zij hadden het de Dutchbatters immers zo moeilijk gemaakt .. Immers, door af en toe verzet te plegen tegen de misdadige belegering hadden zij de Nederlanders bij hun goede werken belemmerd, en uiteindelijk de Serviërs 'geprovoceerd' tot de aanval en massamoord.

f.

'De bedoelingen waren goed'


Men verklaart zich gedreven door zuivere motieven, Joris Voorhoeve en Wim Kok voorop. Alsof daaruit volgt dat concrete handelingen en resultaten er niet toe doen. Dus, als er slechte resultaten zijn, kúnnen die niet aan ons worden toegeschreven. Dan zijn wij er dus zeker niet verantwoordelijkheid voor.
Men wil doen geloven dat de 'goede bedoelingen' van politici en militairen in juli 1995 gewoon verkeerd uitpakten. Hiermee wordt verdoezeld dat het in eerste instantie onwil was waardoor Srebrenica geen bescherming kreeg, en dat dáárdoor vanaf het begin gekozen werd voor een positie van afzijdigheid, passiviteit, onwil, weigering, ondermijning, zwakte, onmacht en zelfbeklag.
Opvallend is dat jaren later, nu de deksel van de doofpot steeds wat verder is weggeschoven, ook de Dutchbatters durven uitkomen voor hun humanitaire motieven. Majoor Franken komt plotseling met zijn bewogenheid om de bedreigde vrouwen en kinderen. Ook meldt nu Karremans dat hij het toch ook heel erg heeft gevonden voor 'die mensen'.
In de voorgaande jaren heeft Dutchbat zich echter - uitzonderingen daargelaten - niet erg geïnteresseerd getoond in het leed en het lot van de Moslims. Sterker, de destijds getoonde houding van Dutchbat was veelal pro-Servisch en anti-Moslim. Dit zien we terug in de snoeiharde houding die achteraf door alle vrijwel alle verantwoordelijken jegens de nabestaanden is getoond. Deze werd meestal gekenmerkt door miskenning en verwaarlozing, minachting en vijandigheid. Gevoegd bij de zware verliezen en beschadigingen die de nabestaanden hebben geleden waarmee zij - en hun kinderen - de rest van hun leven moeten leven, betekent dat een aanvullende traumatisering.
Voor de Nederlanders stond het enge eigenbelang voorop, en was de nood van de slachtoffers niet eens relevant. Ook achteraf spreken zij slechts over hun eigen sores.
Zowel vooraf, tijdens als na de val en massamoord van Srebrenica heeft de Nederlandse Landmacht omwille van eigen gemak willens en wetens partij gekozen voor een zwaarbewapende, weldoorvoede bende meedogenloze sadisten - zo niet fascisten - tegenover een bedreigde, verzwakte en weerloze burgerbevolking die zij nota bene uit hoofde van hun functie en opdracht dienden te beschermen. En vervolgens willen zij de buitenwereld wijsmaken dat dit hun enige optie en beste keus was ...
"De BV Nederland was bezig het eigen gezicht te redden, nationaal en internationaal" (kolonel Charles Brantz, destijds voor de VN in Tuzla, Volkskrant Magazine, 2-9-2000, pp. 31-45).

De verantwoordelijke Nederlandse politici, premier Wim Kok voorop, hebben al jaren lang een standaard excuus paraat in reactie op gerechtvaardigde vragen en verwijten inzake Srebrenica: " Het is achteraf gemakkelijk praten..". Dit mag misschien gelden voor de velen die voorafgaand aan de val Srebrenica gekant waren tegen militaire verdediging van de bevolking van Srebrenica. Maar het doet niets af van de eigen verantwoordelijkheden - zeker niet in het geval van de toenmalige premier.
Zoals gezegd is de politiek al jaren tevoren, veelvuldig, zeer nadrukkelijk en duidelijk genoeg gewaarschuwd voor de te verwachten tragedie. Met name heeft het comité PCSM sedert eind 1992 met grote regelmaat de aandacht gevraagd voor de alarmerende noodzaak tot krachtige militaire interventie - en daarbij gewaarschuwd voor de niet onderschatten, tomeloze agressie en wreedheid van de extremistische leiders aan Servische kant. " Wir haben es Gewüsst" was dan ook al begin 1993 het motto van dit comité.
Daarbij is er een overvloed aan feitenmateriaal beschikbaar waaruit blijkt dat de Nederlandse verantwoordelijken van de regering, de Tweede Kamer, de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie, vanaf 1991 zeer goed op de hoogte waren van de situatie in Voormalig Joegoslavië, met name Bosnië-Herzegovina, waaronder de plannen en praktijken van de Bosnische Serviërs onder leiders als Radovan Karadzic en Ratko Mladic.

Vingerwijzen naar alle anderen.


Later zou de Nederlandse regering de doelbewust georganiseerde 'mislukking' vooral aan de VN wijten: "[..] we zagen het als onze zaak om daar een bijdrage te leveren [..] Wij gingen daarheen om mensen te beschermen en dat hebben wij niet waar kunnen maken. [..] Het is te kort [door de bocht] om te zeggen dat het aan Nederland ligt. [..] Wij kregen toezeggingen, maar die toezeggingen werden niet ingelost [=door de VN] en dat is het drama." (Ruud Lubbers, Rapport Enquête Srebrenica, 27-01-2003, par.2.6.1, p.88).
Het kabinet Balkenende, de premier voorop en minister Kamp in zijn kielzog, riepen later pathetisch op tot eerherstel van Dutchbat. Balkenende: "De massamoord was niet te voorkomen geweest, omdat de internationale gemeenschap de Nederlanders in de steek liet" (de Volkskrant, 19-6-2003).