Appendix 5.



De aanval van het Bosnisch-Servische leger op de Safe Area Srebrenica.



25 mei - 3 juni 1995: Aanwijzingen voor aanval.


Op 25 mei 1995 waarschuwden Britse Joint Commission Observers (JCO) de Dutchbat III commandant Thom Karremans, dat het Bosnisch Servische leger (Vojska Respublika Srpska, VRS) een grootscheepse aanval op Srebrenca voorbereidde.

Opmerkelijk:

De Britten meldden in hun verslag daarbij over Karremans: " who, it is reported, did not believe it". (zie NIOD-rapport, p.1989). Hieruit bleek opnieuw een essentieel probleem in de benodigde strategische intelligentie voor effectieve bescherming van de Safe Area - waarvan nog vele andere voorbeelden zouden volgen.
Na het NAVO bombardement bij Pale voerde de VRS een aanval uit op Gorazde en het heuvelgebied van Suceska.

In de dagen 28 mei tot 2 juni kwamen berichten over versterkingen van het VRS met 1500 man Arkan-troepen uit Servië die vanuit Kroatië op weg waren naar Oost-Bosnië, met name Srebrenica (zie NIOD-rapport, p.1990).

Opmerkelijk:

Deze berichten hebben niet geleid tot adequate voorbereidingen bij Dutchbat ter verdediging van de enclave.

28 mei 1995: Dreigende aanval op observatieposten.


De 15 observatieposten van UNPROFOR in en rond Srebrenica waren van zwaarwegend belang voor de bescherming van de Safe Area.
Observatiepost E (OP-E), onder bevel van sergeant Celen, vormde daarbij een essentiële strategische positie in de verdedigingslinie. Deze observatiepost vormde bovendien de enige bescherming voor het nabij gelegen vluchtelingenkamp, Swedish Shelter Project, tegen de VRS. Dat het VRS uit was op de verovering van observatiepost E (OP-E), werd al geruime tijd verwacht.
Op 28 en 29 mei werd overleg gevoerd tussen de officieren, met name Karremans, De Ruiter, De Jonge en Van Baal, over de te volgen strategie.

Opmerkelijk:

Er was geen sprake van enig besluit waarop in voorkomende noodsituaties een eenduidig beleid zou kunnen worden gevoerd (zie NIOD-rapport, p.1990-1996).

Op 29 mei, in de middag, had majoor Franken een gesprek met Ramiz Becirovic, commandant van het Bosnische leger ('Armija Bosna i Hercegovina, ABiH). Volgens diens verslag deed Franken de toezegging dat Dutchbat de verdediging in samenwerking met het ABiH zou voeren.
Op 30 mei om 20:30 uur brachten majoor Nikolic en kolonel Vukovic van het VRS aan Dutchbat onverbloemd het dreigement over dat een aanval op handen was.
(zie NIOD-rapport, p.1999).
Dezelfde avond deed Karremans aan het Bosnische leger (ABiH) de toezegging dat OP-E verdedigd zou worden met de Quick Reaction Force (QRF) (zie NIOD-rapport, p.1996-1998).

30/31 mei - 2 juni: Verovering OP-E.


In de nacht van 30 op 31 mei begon het VRS aan operatie 'Jadar-95', naar de vallei van de gelijknamige rivier (zie NIOD-rapport, p.2005-2006). Als eerste actie werd die nacht een stuk weg bij de OP-E opgeblazen (zie NIOD-rapport, p.1999).
Op 31 mei 1995 voerde de VRS de aanvallen rond OP-E verder op (zie NIOD-rapport, p.1998). Er volgden enige onschuldige beschietingen door het VRS.
Op 1 juni 1995 sommeerde de commandant van het Servische Drina-Corps, generaal-majoor Zivanovic, bataljonscommandant Karremans dat Dutchbat de OP-E diende te verlaten (zie NIOD-rapport, p.2001-2002).

Opmerkelijk:

Hierop werd OP-E zonder enig verzet door Dutchbat overgegeven. Dit was in strijd met de VN-resoluties. Ongeveer 50 militairen van het VRS namen de OP-E over.

3 juni 1995: Aanvraag luchtsteun (1e).


Op 3 juni in de avond, en nacht van 4 juni om 05.00 uur, deed Karremans vanwege de inname van OP-E een eerste aanvraag om luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2007).

Opmerkelijk:

Bij de Bosnië Herzegovina Command In Sarajevo wierp generaal Nicolai prompt tegen dat niet aan de juiste voorwaarden voor luchtsteun was voldaan. De aanvraag werd daarom afgewezen (zie NIOD-rapport, p.2007). Door de val van OP-E zagen enkele duizenden vluchtelingen zich genoodzaakt om te vluchten naar Srebrenica (zie NIOD-rapport, p.2012).

4 juni - 5 juli 1995: Dreigende aanval op de enclave.


In de daaropvolgende maand, tussen 4 juni en 5 juli, waren er volop aanwijzingen van een op handen zijnd offensief van de VRS (zie NIOD-rapport, p.2064-2077).
Op 8 juni 1995 schreef Karremans in een fax aan zijn superieuren van de landmacht en van de VN dat hij een grote aanval op de Safe Area verwachtte. Er concentreerde zich een grote troepenmacht van het VRS rond de enclave. Speciale gevechtstroepen waren gesignaleerd. "Generaal Mladic zal persoonlijk de eenheden rond de enclave leiden om de observatieposten van Dutchbat uit te schakelen".

Opmerkelijk:

Plaatsvervangend bevelhebber van de landmacht, generaal Ad van Baal, negeerde het alarmerende bericht, en vond het niet nodig om minister Voorhoeve dan wel de VN-organisatie te informeren. Karremans kreeg van zijn Nederlandse superieuren opdracht om elk risico van een confrontatie met de Serviërs te vermijden.

6 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 1.


Op 6 juli begon de VRS onder bevel van Ratko Mladic de aanval op het 'veilige gebied' Srebrenica. Op meerdere plaatsen werd met zwaar geschut op ABiH stellingen geschoten.
Ramiz Becirovic, commandant van het ABiH, liet schriftelijk aan de VN Sector North East in Tuzla weten dat op 6 juli meer dan 1.000 raketten/granaten in de Safe Area waren ingeslagen, waarvan 17 in de stad Srebrenica (zie NIOD-rapport, p.2102). Becirovic verzocht Dutchbat om de in beslag genomen wapens terug te geven, zodat men zich kon verdedigen.

Opmerkelijk:

Dit verzoek werd wederom door Karremans afgewezen.
Opnieuw gaf Karremans de Bosniërs de verzekering dat UNPROFOR zorg zou dragen voor afdoende verdediging (zie NIOD-rapport, p.2102; VN-rapport, nr.240).

Op 6 juli deed ook generaal Sead Denic van het ABiH een dringend beroep op kolonel Brantz van Sector North East om maatregelen te treffen 'to protect the disarmed population and their territory' (zie NIOD-rapport, p.2103).

Opmerkelijk:

Er werden echter geen maatregelen getroffen.

Op 6 juli, voor 15.00 uur, sprak kolonel Brantz ook met Sulejman Budakovic, de chef-staf van het tweede corps van de ABiH. Hierin liet Brantz weten dat de (eerste) aanvraag voor luchtsteun nog in behandeling was (zie NIOD-rapport, p.1991).
Op 6 juli bestookte ondertussen in Nederland het 'thuisfront' van Dutchbat de KL Crisisstaf met vragen waaruit ongerustheid, ongeduld en verontwaardiging sprak: Wanneer konden de Dutchbatters naar huis? Er waren immers al de nodige vakanties geboekt! (zie NIOD-rapport, p.2107).

7 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 2.


Op 7 juli werd Srebrenica opnieuw door de VRS beschoten. Daarbij vielen in het centrum van Srebrenica 4 doden en 17 gewonden onder de burgerbevolking (zie VN-rapport, nr. 248; zie NIOD-rapport, p.2107).
In de dagen van 6 tot 8 juli werd door Dutchbat vastgesteld dat de VRS voorbereidingen trof om observatiepost Foxtrot (OP-F) aan te vallen.

7 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (2e).


Op 7 juli 1995, om 13.50 uur deed Karremans naar aanleiding van de dreigende aanval op OP-F een tweede aanvraag om luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2103,2106).

8 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 3.



8 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (3e).


Op 8 juli 1995, om ca. 13.00 uur, deed Karremans, naar aanleiding van de beschieting door de VRS van observatiepost F (OP-F), een derde aanvraag om luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2121-2125; zie VN-rapport, nrs.242,243,252).

Opmerkelijk:

De Nederlandse UNPROFOR chef-staf generaal Cees Nicolai, die vanuit Sarajevo leiding gaf aan VN-troepen in Bosnië, wees dit verzoek af. Hij rapporteerde dat niet aan de criteria voor Close Air Support was voldaan (zie NIOD-rapport, p.2122).
Nicolai voerde daarnaast het omineuze non-escalatie argument aan: " Er mag geen olie op het vuur gegooid" aldus Nicolai, op 8-7-1995 in Sarajevo (Volkskrant Magazine, 2-9-2000, pp. 31-45). Karremans zou hiertegen geprotesteerd hebben met het argument dat alleen een rigoureuze response zinvol was: "Je grijpt alle doelen aan, of je doet niets".

Opmerkelijk:

De Nederlandse superieuren van Nicolai in Zagreb, Van Kolsteren en De Jonge, waren het echter met het standpunt van Nicolai eens (zie VN-rapport, nr. 242-243).
Om 15.20 uur had Nicolai besloten om de (derde) aanvraag van Karremans niet door te zenden naar het UNPROFOR Force Command (UNPF) in Zagreb. Aldus lieten de VN - door toedoen door Nederlandse verantwoordelijken - een unieke mogelijkheid voorbijgaan, om reeds op dat moment een groot aantal wapensystemen van de VRS uit te schakelen (zie NIOD-rapport, p.2103).
Op 8 juli reageerde Karremans naar aanleiding van de weigering van Nicolai om luchtsteun te verlenen als volgt: "Het is teleurstellend om onder dergelijke omstandigheden geen enkele steun te krijgen. Ik realiseer me nu duidelijk dat de belangen bij de hogere echelons van een geheel andere - met name politieke - orde zijn dan je druk te maken om een observatiepost in de Safe Area Srebrenica." (zie NIOD-rapport, p.2123).

Terwijl de derde aanvraag om luchtsteun in behandeling was, had de VRS nog niet de aanval op OP-F geopend.

Opmerkelijk:

Niettemin gaf Nicolai aan Dutchbat al het bevel om OP-F te verlaten (zie VN-rapport, nr. 252).
Op 8 juli 1995 om ca. 14.45 uur kreeg de bemanning van OP-F van de commandant van de B-compagnie, kapitein Groen op de compound van Srebrenica, toestemming om de OP-F op te geven (zie NIOD-rapport, p.2116). Om 15.20 uur werd de observatiepost verlaten.

Bij hun vlucht van OP-F stuitten de Dutchbatters op een barricade van Bosnische strijders die zich verraden voelden, en de Nederlanders op hun aftocht wilden stoppen. De Dutchbatters probeerden deze vol gas omver te rijden. De Bosniërs openden in reactie hierop het vuur, en soldaat Raviv van Renssen werd dodelijk getroffen (zie NIOD-rapport, p.2115-2122).

Opmerkelijk:

De dood van Van Renssen werd voor Dutchbat een reden om zich nu volledig en absoluut van de Bosnische bevolking af te keren. " Zijn dood maakte onze haat tegen de Moslims nog groter" (Korporaal Bartels, in NRC , 26-8-1995). "De Moslims hebben de boel zelf zitten verknallen" (Brigade-generaal T. Kolsteren, in NRC, 26-8-1995).
Fransen en Engelsen hadden overigens al zo'n 40 doden te betreuren.

Opmerkelijk:

Op 8 juli, in de namiddag, uitte generaal Nicolai absurd genoeg zijn waardering aan VRS-generaal Tolimir voor de 'nette' manier waarop zijn strijders de observatieposten en VN-materieel - strategisch van grote waarde - 'overnamen' (zie NIOD-rapport, p.2125-2127).

Op 8 juli had de NAVO ondertussen al vanwege de gerezen problemen vliegtuigen beschikbaar gesteld. Op 8 juli 1995, om 15.52 verschenen twee Britse Jaguar gevechtsvliegtuigen van de NAVO in het luchtruim boven de Safe Area. (zie NIOD-rapport, p.2122).

Opmerkelijk:

Deze vliegtuigen kwamen echter niet in actie, vanwege het ontbreken van het fiat van generaal Nicolai.

8 Juli 1995: Bedreiging en verovering OP-U.


Op 8 juli 1995 rond 19.00 uur naderden strijders van het VRS observatiepost U (OP-U), dat onder commando stond van sergeant Van Eck (zie NIOD-rapport, p.2125-2127).

Opmerkelijk:

De zes manschappen van OP-U gaven zich zonder enig verzet over. Met instemming van plaatsvervangend bataljonscommandant van Dutchbat, majoor Franken, lieten zij zich vrijwillig als 'gijzelaars' meevoeren met de Serven. Dit besluit was ingegeven door het rotsvaste vertrouwen in de Serviërs, paradoxaal genoeg na het opgeven van de observatieposten E, F en U. Het werd wellicht extra gemotiveerd vanuit de uitgesproken rancune tegen de Moslims strijders van het ABiH, na de dood van soldaat Van Rensen (zie NIOD-rapport, p.2129).

Opmerkelijk:

Dat met dit vrijwillige gijzelaarschap onmiddellijk geheel Dutchbat voor de Serviërs chantabel bleek, en daarmee de gehele enclave psychologisch al werd uitgeleverd, werd blijkbaar van ondergeschikt belang gevonden.

Opmerkelijk:

Het draaide er op uit, dat de Dutchbatters met de Serviërs afspraken dat die hun posten mochten overnemen als ze de Nederlanders escorteerden en zo een 'veilige aftocht' voor Dutchbat zeker stelden wegens gevreesde reacties van Bosnische strijders die zich verraden voelden.

Opmerkelijk:

Het NIOD geeft aan deze merkwaardige redenering post hoc nog eens een extra 'ondersteuning', zij het arbitrair en dubieus: "De voortdurende verzekering die de Bosnische Serviërs gaven dat zij het niet op de levens van de UNPROFOR-militairen hadden gemunt bleek redelijk met de waarheid overeen te stemmen" (zie NIOD-rapport, p.2129). Deze vermeende 'verzekering' van de Serviërs kon achteraf absoluut niet van enige betekenis worden gevonden, nadat al jaren bekend was dat de Serviërs deze gijzeling wel degelijk hebben gebruikt om te dreigen de gijzelaars te doden, waarmee ze van Dutchbat nota bene vrije doortocht hebben 'bedongen', zodat ze hun aanval met daaropvolgende massamoorden ongehinderd door konden zetten.

Op 8 juli, in de avond, na de diverse smadelijke terugtochten, hebben de leden van de staf van Nicolai hem geadviseerd om op voorhand een pre-approved aanvraag voor luchtsteun te ondertekenen en aan het UNPF in Zagreb voor te leggen, zodat bij de - te verwachten - voortzetting van de VRS-aanval meteen luchtsteun kon worden geboden zonder nodeloos tijdverlies.

Opmerkelijk:

Nicolai sloeg dat advies echter in de wind (zie NIOD-rapport, p.2127).
Nicolai verklaarde op 15 november 2002 tijdens het verhoor door de enquêtecommissie-Srebrenica over het uitblijven van luchtsteun absurd genoeg: "Het is me nooit helder geworden. Ik heb er geen sluitende verklaring voor".

9 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 4.



9 Juli 1995: Verovering OP-S.


Op 8 juli 1995 nam de VRS observatiepost S (OP-S) over (zie NIOD-rapport, p.2130-2131).

Opmerkelijk:

Bij de overname van OP-S gaf de plaatselijke commandant van Dutchbat de 8 manschappen het - absurde - bevel om niet naar de eigen compound te vertrekken, maar vrijwillig als 'gijzelaars' mee te gaan met de Bosnische Serven. (zie NIOD-rapport, p.2134). Deze werden bij de 6 gijzelaars van OP-U gevoegd die op OP-E werden vastgehouden.
In reactie op de Servische opmars ontstond paniek onder de plaatselijke bevolking die massaal op de vlucht sloeg. Ca. 3000-4000 mensen vluchtten uit hun huizen en uit het vluchtelingenkamp van het Swedish Shelter Project, in de richting van de Dutchbat compound (zie NIOD-rapport, p.2131).
Vervolgens werden 5 man van de QRF van Dutchbat door de VRS uit hun YPR-voertuig gehaald en eveneens gijzelaar gemaakt (zie NIOD-rapport, p.2132).

9 Juli 1995: Verovering OP-K.


Op 9 juli, om 18.30 uur, vuurde de VRS enkele granaten af rondom OP-K.

Opmerkelijk:

In strijd met de bevelen bood Dutchbat ook hier geen weerstand. De VRS namen de post over, en 10 man gaven zich over als gijzelaars. (zie NIOD-rapport, p.2141-4237).

9 juli in de ochtend: Het VRS voerde zijn aanvallen op. Vier tanks begaven zich op de weg van Zeleni Jadar (zie NIOD-rapport, p.2139-2140).

9 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (4e/5e).


Op 9 juli 1995 was in Sarajevo een Blue Sword request om Close Air Support gereed gemaakt. Om 8.15 uur verschenen boven de enclave vliegtuigen naar aanleiding van dit verzoek (zie NIOD-rapport, p.2133). Aan de vliegtuigen was echter nog geen toestemming voor een aanval gegeven.
Op 9 juli zond Karremans rapport aan het Air Operations Coordination Centre (AOCC) in Sarajevo, waarin hij meldde dat het VRS op alle mogelijke manieren in de aanval was.

Opmerkelijk:

Karremans voegde daar - absurd genoeg - aan toe, dat hij desalniettemin nog geen luchtsteun wilde, want "It will provoke the Serbs" (zie NIOD-rapport, p.2132-2133). Dit roept de vraag op hoeveel iemand nog valt te provoceren als deze zoals gemeld al op elke mogelijke manier in de aanval is.
Karremans liet ook aan zijn manschappen het bericht uitgaan dat hij geen air presence boven de Safe Area wilde. Als reden voerde hij aan dat anders de 8 vrijwillig-gegijzelde Dutchbatters van OP-S gevaar konden lopen.
De Forward Air Controller gaf dit aan de Nederlandse F-16's door met de woorden: " Get the hell out of there, they are holding some of our guys" (zie NIOD-rapport, p.2133-2134).

Op 9 juli sprak kolonel Brantz van de Sector North East in Tuzla wederom met Sulejman Budakovic, de chef-staf van het tweede ABiH-corps (zie NIOD-rapport, p.2140-2141). Brantz verzekerde hem dat het ABiH niet in actie hoefde te komen, omdat Dutchbat wel degelijk zou ingrijpen. Hij liet weten dat Dutchbat commandant Karremans duidelijke bevelen had gegeven om de VRS-opmars te stoppen en gericht op de VRS te schieten. Naar zijn zeggen was Dutchbat ' capable to do the job in the most proper way' (zie NIOD-rapport, p.2011-2012). Ook vertelde Brantz dat de luchtsteun met gemak de Servische doelen kon uitschakelen (zie NIOD-rapport, p.2140-2141).

Opmerkelijk:

Het door Brantz geschetste beeld klopte van geen kanten met het feitelijke gedrag van Dutchbat.

Op 9 juli, in de late ochtend, vond een bespreking in Zagreb plaats tussen Nederlandse officieren bij de VN. Besloten werd dat blocking positions moesten worden ingenomen, en dat wanneer de VRS deze aanviel, direct Close Air Support zou worden ingezet. Force Commander Janvier en VN-gezant Akashi gingen hiermee akkoord. De VN waren nu echt van plan ' to slug it out' (het gevecht aan te gaan).
Later die dag, rond 12.00 uur waren vier NAVO vliegtuigen gereed, nl. Nederlandse F16's.

Opmerkelijk:

In de middag werd echter melding gemaakt van een tekort aan Forward Air Controllers in de buurt van de beoogde doelen (zie NIOD-rapport, p.2132-2134).

Opmerkelijk:

Op 9 juli 1995 om 14.00 uur gaf generaal Nicolai aan Den Haag door dat er geen nieuwe groep vliegtuigen zou worden ingezet, om een mogelijk op handen zijnde vrijlating van de 15 Dutchbatters in handen van de VRS niet te belemmeren (zie NIOD-rapport, p.2135). Opnieuw werden de tienduizenden vluchtelingen in de Safe Area ondergeschikt gemaakt aan de positie van 15 'vrijwillig gegijzelde' Dutchbat-soldaten.

Om ca. 15.00 deed de Bosnische president Izetbegovic een alarmerend beroep op de machtigste regeringsleiders van de Westerse wereld van dat moment - Clinton, Chirac, Major en Kohl - om in te grijpen (zie NIOD-rapport, p.2148).

Om 16.00 uur werden de instructies van de VN-top in het logboek van de vijfde geallieerde luchtmacht (5ATAF) in Vicenza opgetekend: "If unsuccesful NATO Close Air Support/Air Strike will be used" (zie NIOD-rapport, p.2153-2154).
Om ca. 16.00 uur versterkten enkele JCO's de Forward Air Controllers.

Opmerkelijk:

Om ca. 17.00 uur liet Sarajevo echter opnieuw het bericht uitgaan dat Dutchbat geen luchtsteun meer wilde (zie NIOD-rapport, p.2135-2136).

Aanvraag luchtsteun (4e/5e).


Op 9 juli 1995, om ca. 17.00 uur, werd door UNPROFOR op eigen initiatief een vierde aanvraag tot luchtaanval opgesteld. Gobilliard ondertekende een Blue Sword request.
Om ca. 18.00 uur kwam dit in Zagreb aan (zie NIOD-rapport, p.2145-2146).

Op 9 juli 1995 werd bij de VN in Genève een spoedberaad gehouden onder leiding van Boutros-Ghali, en in aanwezigheid van talrijke kopstukken van de VN en UNPROFOR waaronder Akashi, Ogata, Bildt, Stoltenberg, Smith, en Janvier.

Opmerkelijk:

Na urenlang vergaderen was de conclusie nogal mager: " muddle on, muddle through" (zie NIOD-rapport, p.2129-2130).

Op 9 juli belde de Amerikaanse ambassadeur Terry Dornbush met minister Voorhoeve in de 'bunker' van het Defensie Crisisbeheersingscentrum (DCBC) in Den Haag.

Opmerkelijk:

Dornbush vertelde later dat Voorhoeve hem verzekerde dat de situatie in Srebrenica voor de Nederlanders geheel onder controle was (zie NIOD-rapport, p.2287).

Op 9 juli sprak Dornbush ook met Van Mierlo waarbij hij liet weten dat de VS elk verzoek tot hulp in overweging zou nemen.

Opmerkelijk:

Ook dit aanbod werd door de Nederlandse regering beleefd aangehoord maar niet met beide handen aangegrepen (zie NIOD-rapport, p.2159).

9 Juli 1995: Verovering OP-D.


Op 9 juli, in namiddag en avond naderden VRS-strijders observatiepost D (OP-D) die onder bevel stond van N. Zuurman. Bij de Dutchbatters ontstond de indruk dat de VRS hen kon gaan aanvallen.

Opmerkelijk:

De Dutchbatters kozen ook hier - geheel voortijdig - het hazenpad. Op hun vlucht werden zij omsingeld door ABiH soldaten, en absurd genoeg vroegen zij nu hulp van het VRS om hen te ontzetten! (zie NIOD-rapport, p.2142-2144).
Kapitein Groen onderhandelde met Becirovic van het ABiH om de Dutchbatters van OP-D 'los' te krijgen. Op 10 juli in de ochtend konden de Dutchbatters via VRS-gebied ontkomen naar Srebrenica.

Op 9 juli, in de avond, bevond het VRS zich inmiddels met 4 tanks en ca. 100 man binnen de Safe Area . (zie NIOD-rapport, p.2144).
Om ca. 19.30 uur deelde Nicolai aan Zdravko Tolimir van de VRS mee dat bij verdere schendingen " binnen 2 uur" luchtaanvallen konden plaatsvinden (zie NIOD-rapport, p.2149-2151).
Om 20.30 uur volgde vanuit Sarajevo het bevel aan Karremans om een ultimatum aan de VRS te stellen: terugtrekking vóór 21.00 uur (zie NIOD-rapport, p.2156).
Om 21.00 uur zond Janvier in Zagreb het Blue Sword request aan Smith, NAVO-admiraal te Napels (zie NIOD-rapport, p.2155).
Om ca. 21.15 uur schijnt Zagreb aan Napels te hebben bericht dat Akashi aan Janvier een machtiging tot bombardementen had gegeven.

Opmerkelijk:

Deze toedracht wordt echter betwist. De toestemming van Akashi blijkt te zijn uitgebleven (zie NIOD-rapport, p.2144-2146).

9 Juli 1995: Bevel tot Blocking Positions.


Op 9 juli, in de namiddag of vroege avond, volgde vanuit Zagreb het bevel om 'blocking positions ' in te nemen (zie NIOD-rapport, p.2150,2173 e.v.).
Om 22.00 uur gaf De Ruiter, in opdracht van Nicolai, schriftelijk het formele - in het Nederlands gestelde - bevel om de blocking positions (BP's) op te stellen, en deze te handhaven: "Met de u ter beschikking staande middelen dient u zodanige 'blocking positions' in te nemen dat een verdere doorbraak en opmars van VRS-eenheden in de richting van de stad Srebrenica wordt voorkomen. Al het mogelijke moet worden gedaan deze posities te versterken, ook v.w.b. de bewapening." (zie NIOD-rapport, p.2160).
Om 19.53 uur gaf Majoor Franken in een fax de instructies voor de blocking positions door aan de commandant van de Bravo-compagnie van Dutchbat, kapitein Groen. Franken voegde hier uitdrukkelijk aan toe dat het nu echt ging om ' een serieus bedoelde groene opdracht' (zie NIOD-rapport, p.2161), dat wil zeggen, een gevechtsopdracht.
Het commando over alle BP's kreeg kapitein Hageman (zie NIOD-rapport, p.2159-2160).

Opmerkelijk:

Kapitein Groen uitte onomwonden zijn onwil over de opdracht, in de trant van "Wat zijn dat nou voor opdrachten, ik kan hier niks mee". Hij gaf de opdracht met deze merkwaardige 'kanttekening' vervolgens door aan Karremans (zie NIOD-rapport, p.2161).

Opmerkelijk:

Hierop maakte Karremans weer telefonisch tegen generaal Nicolai bezwaar, want naar eigen zeggen vond hij zijn troepen "te goed om te worden opgeofferd" (zie NIOD-rapport, p.286-287,2158).

Opmerkelijk:

Groen gaf aan het personeel van de blocking positions prompt een tegenovergesteld bevel door: om bij een directe aanval (a) niet gericht te vuren op de aanvallers, (b) hoogstens over de hoofden heen te vuren, en (c) alleen in het uiterste geval gericht vuur uit te brengen, uitsluitend ter zelfverdediging - en dat alleen wanneer dat strikt nodig was (zie NIOD-rapport, p.2167, p.2173-2179). Opnieuw werd er derhalve voor gekozend om, zelfs tegen bevelen van UNPROFOR in, zonder meer de eigen veiligheid te laten prevaleren en niet de opgedragen taken - te weten de bescherming van de bevolking - uit te voeren.

Opmerkelijk:

In het NIOD-rapport wordt gesteld dat het inrichten van de blocking positions Dutchbat evenwel voor problemen stelde: "Navolging van de Rules of Engagement zou Dutchbat op enig moment kunnen verplichten tot terug schieten en daarmee tot 'groen' optreden. Daartoe was het bataljon niet geëquipeerd, niet getraind en daarop was het geestelijk niet voorbereid. " (zie NIOD-rapport, p.2155). Hier wordt dus onomwonden erkend dat Dutchbat enerzijds gehouden was aan navolging van de Rules of Engagement, maar daarin anderzijds belemmerd werd door de tevoren bewust gekozen, ontoereikende bewapening, training en mentale voorbereiding.

Op 9 juli 1995 in de avond verkondigde minister Voorhoeve op televisie dat hij de inzet van luchtsteun onvermijdelijk achtte.

Opmerkelijk:

Tegelijk zei Voorhoeve dat de veiligheid van de Nederlandse militairen voor hem voorrang had. Voorhoeve gaf zelfs de opdracht aan de Nederlandse commandanten om absoluut eigen slachtoffers te vermijden: " We moeten de komende weken de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen. De opdracht van de commandanten is ook om in de eerste plaats slachtoffers te vermijden. Ik wil al die mannen en vrouwen heelhuids terug zien [..] We willen geen risico's voor het Nederlandse personeel lopen, geen onverdedigbare stellingen gaan verdedigen." (9-7-1995, NOVA televisie-uitzending; zie NIOD-rapport, p.2147). Hiermee ging Voorhoeve dus rechtstreeks in tegen de bevelen van de VN waaraan Nederland zich met Dutchbat had gecommitteerd. Het standpunt was ook in strijd met elke zinvolle inzet van militaire macht, die nu eenmaal per definitie risico met zich meebrengt.

10 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 5.


Op 10 juli, middernacht en in de vroege ochtend, werden de blocking positions ingenomen.
Op 10 juli in de ochtend ca. 05.30 uur, deed de Bosnische ambassadeur bij VN, Mustafa Bijedic, opnieuw een dringende oproep aan de Veiligheidsraad om Srebrenica te beschermen. Hij wees erop dat UNPROFOR (d.i. Dutchbat) de ABiH al in mei 1993 had ontwapend. De VN en de NAVO hadden uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid voor de verdediging van Srebrenica op zich genomen.
Dit hadden de VN en Dutchbat ook steeds de ABiH en de Bosnische burgers verzekerd, zelfs toen die wegens het VRS-offensief herhaaldelijk, maar tevergeefs, om teruggave van de ingenomen wapens hadden verzocht (zie NIOD-rapport, p.2147-2148).

10 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (6e).


Op 10 juli 1995, om 8.55 uur doet bataljonscommandant Franken een vijfde aanvraag tot luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2180). Franken verving ie dag Karremans die zich ziek had gemeld wegens 'verkoudheid'.

Opmerkelijk:

Van deze aanvraag is echter in Zagreb, Sarajevo of bij de NAVO niets terug te vinden. Volgens Brantz wilde Janvier die ochtend geen toestemming geven (zie NIOD-rapport, p.2181, idem Samenvatting, p.252).

Die dag zette het VRS zijn opmars voort. Dutchbatters geven hiervan een zeer gedetailleerd verslag. De tanks rukten op over de weg van Zeleni Jadar naar Milici en Srebrenica, en schoten onderweg met granaten huis na huis in brand, terwijl met mitrailleurs op de vluchtende burgers werd geschoten (zie NIOD-rapport, p.2173).
De over de weg oprukkende tanks en artillerie vormden in deze uren een perfect doelwit voor beschietingen vanuit de lucht, waarmee de Serven razendsnel een verpletterende slag kon worden toegebracht.

Opmerkelijk:

Er werd echter weer, en nog steeds, niet ingegrepen.

Op 10 juli ca. 13.00 uur richtte de Bosnische premier Haris Silajdzic een brandbrief aan Willy Claes, secretaris-generaal van de NAVO.

Opmerkelijk:

Hier werd niet op gereageerd.

Opmerkelijk:

Het NIOD verklaart dit doodleuk uit de "toon" van de brief! (zie NIOD-rapport, p.2148).

10 juli 1995, om ca. 15.00 uur voerde de VRS de beschietingen van de stad weer op.

10 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (7e).


Op 10 juli 1995 na 15.30 uur deed Karremans een zesde aanvraag tot luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2182; idem Samenvatting, p.252).

Opmerkelijk:

Ook van deze aanvraag is in Zagreb, Sarajevo of bij de NAVO niets terug te vinden (zie NIOD-rapport, Samenvatting, p.252).

10 Juli 1995: Bedreiging, beschieting en overgave van Blocking Positions Bravo 4, 3 en 1.


Op 10 juli naderde het VRS de Blocking Positions.

Opmerkelijk:

Deze Blocking Positions, met name Bravo 4, 3, en 1, werden nog dezelfde dag op de eerste beschietingen door het VRS, geheel tegen de VN bevelen in, direct en zonder enige verdediging of tegenactie prijsgegeven. Op 10 juli, ca. 19.13 uur, begon Dutchbat op bevel van kapitein Groen met terugtrekking van de BP's (zie NIOD-rapport, p.2182-2183).
Bernard Janvier verklaarde later dat hij de Nederlanders op 10 juli 1995 de order had gegeven om de Blocking Positions te verdedigen. "Als men de order krijgt een route te blokkeren, dan levert men strijd, dat is de missie. Wij zouden hebben gevochten, en dat zou alles hebben veranderd [..] De Nederlanders hadden krachtige anti-tankbazooka's: ze hebben ze niet gebruikt. Wij zouden hebben gereageerd, en ik ben er van overtuigd dat we de Serviërs zouden hebben teruggeslagen ." (NRC, 30-11-2001).

10 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (6e/7e/8e).


Op 10 juli om 19.17 uur werd op verzoek van Hageman op het marktplein van Srebrenica, en via de B-compagnie, door Dutchbat voor de zesde keer Close Air Support aangevraagd (zie NIOD-rapport, p.2189-2191). Dit naar aanleiding van de terugtrekking van blocking position BP-1 (zie NIOD-rapport, p.2183-2184).

Om 19.30 uur liet luitenant J.E. Mustert van BP 4 bij het opbreken van de positie het eerste en enige gericht vuur vanuit Dutchbat op de VRS uitbrengen (zie NIOD-rapport, p.2185-2186). Er werd verder geen gericht vuur tegen de VRS uitgebracht (zie NIOD-rapport, p.2183,2187). Alleen observatiepost OP-H bleef standhouden (zie NIOD-rapport, p.2187).
Op 10 juli en 11 juli 's-nachts, namen de bemanningen van de BP's en resterende OP's met hun materieel op het marktplein stellingen in (zie NIOD-rapport, p.2186-2187).

Op 10 juli 1995 stelde de Franse regering aan generaal Janvier Franse delen van de nieuwe Rapid Reaction Force beschikbaar om Dutchbat te ontzetten. Ook bood de Franse admiraal Lanxade nog namens zijn regering aan om met een aantal hypermoderne Tigre aanvals-helikopters inclusief bemanning ondersteuning te bieden, voor als de Nederlanders verder in problemen mochten komen (zie NIOD-rapport, p.2159,2291).
Elk van deze Tigre aanvals-helikopter kon, uitgerust met acht antitankraketten, met gemak in enkele minuten de tanks van VRS uitschakelen.

Opmerkelijk:

De Nederlandse Staat liet echter weten geen aanleiding te zien om de aangeboden hulp te aanvaarden.

Op 10 juli belde de Amerikaanse ambassadeur Terry Dornbush opnieuw met Van Mierlo in het DCBC.

Opmerkelijk:

Dornbush verklaart achteraf dat de mededeelzaamheid van Van Mierlo van een verbijsterde vaagheid was, hij karakteriseerde het gesprek als " The most general of any conversation". (zie NIOD-rapport, p.2288).

Opmerkelijk:

Op 10 juli zinspeelde Boutros-Ghali openlijk op mogelijk vertrek van UNPROFOR uit de enclave (zie NIOD-rapport, p.2149). De Bosnische Serviërs hadden geen groter teken van verraad van de internationale gemeenschap kunnen bedenken.

Op 10 juli, in de avond, liet RTL-nieuws uitkomsten zien van een enquête onder de Nederlandse bevolking.

Opmerkelijk:

De mening van de bevolking werd gepresenteerd als voldoende geïnformeerd over de complexe situatie op de grond in Srebrenica. Men sprak zich in meerderheid uit voor terugtrekking van Dutchbat uit Srebrenica.
Maartje van Weegen voelde Voorhoeve aan de tand en vroeg hem, op de bekende, licht verwijtende toon, of hij het volk kon verzekeren dat de Dutchbatters zoals door hem beloofd heelhuids thuis zouden komen. Voor media, polici en bevolking bleek het lot van de 40.000 beschermelingen van Dutchbat geen enkele rol te spelen (zie NIOD-rapport, p.2147).

Op 10 juli, na 19.30 uur volgde een formele waarschuwing vanuit de UNPF in Zagreb aan VRS. De eis was terugtrekking, en bij aanval op blocking positions, volgde Close Air Support (zie NIOD-rapport, p.2151-2153, m.n. noot 248).
De laatste aanvraag om luchtsteun kreeg nu een zeer snelle afhandeling. Ze stuitte voor het eerst niet op de afwijzing van de Nederlandse generaal Nicolai in Sarajevo. Hierdoor werden de formaliteiten nu binnen een half uur geregeld (zie NIOD-rapport, p.2190).
Om 19.11 werd de aanvraag voorgelegd aan de NAVO-bases in Vicenza, respectievelijk Napels. Ook de NAVO stemde toe.
Vanaf 19.55 uur vond in Zagreb spoedoverleg plaats van het Crisis Action Team, waarbij alle politieke en militaire kopstukken van de VN, UNPROFOR en de NATO aanwezig waren. De militairen adviseerden dat luchtaanvallen nu aangewezen waren.
De aanwezige politiek adviseur van Akashi bevestigde dat luchtaanvallen in de huidige situatie echt geheel binnen het geldende mandaat vielen. " Even in the most restrictive interpretation of the mandate the use of Close Air Support against attacking Serb targets was clearly warranted." (zie VN-rapport, nr. 480).

Om 20.17 uur kwam de aanvraag om luchtsteun terug bij Nicolai. De aanvraag werd doorgesluisd naar het VN-hoofdkwartier in Zagreb.

Opmerkelijk:

Die avond verzocht Karremans echter om de luchtsteun uit te stellen tot 6.00 uur de volgende ochtend (zie NIOD-rapport, p.2192, 2195; zie VN-rapport, nr. 291).
Generaal Janvier kwam even later tot de conclusie dat het te donker zou worden voor precisiebombardementen. De vliegtuigen die zouden worden ingezet waren echter prima toegerust om hun missies ook 's nachts uit te voeren ('the aircraft were night capable'; zie VN-rapport, nr. 285).
"Na een avond twijfelen op het hoofdkwartier in Zagreb, waarbij de Franse generaal telefoontjes voerde met nog altijd onbekende gesprekspartners, kwam er geen bevel om de Navo-vliegtuigen in te zetten." ( Trouw, 16 november 2002).
Het is mogelijk dat ook Voorhoeve, op grond van de opiniepeiling in Nederland en de daaraan verbonden politieke consequenties (onder meer) gebeld heeft met Janvier, die op dat moment in vergadering was, en heeft aangedrongen op non-interventie.
Op 10 juli, rond 21.15 uur, beval Janvier tenslotte tot uitstel van de luchtsteun (zie NIOD-rapport, p.2191-2195, 2205-2206, 2113-2219).

Janvier besloot dat het er nu op aan kwam om de blocking positions krachtig te verdedigen.
Om 21.15 uur volgde vanuit Sarajevo het bevel aan de JCO's om zich terug te trekken op de compound in Potocari.
Op 10 juli 1995, rond 21.25 uur, stelde Janvier aan Mladic een ultimatum. Hij gaf te verstaan dat verdere opmars desnoods met geweld beantwoord zou worden. (zie NIOD-rapport, p.2192).
10 juli 1995, rond 21.30 uur, liet Janvier aan Den Haag weten: "opmars van VRS is gestopt" (zie NIOD-rapport, p.2195).

11 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 6.


Op 11 juli 1995, rond 4.00 uur, had Dutchbat in overleg met de Sector North East een lijst opgesteld met 40 doelen voor luchtaanvallen. Deze doelen zouden om 6.50 uur worden aangevallen. (zie VN-rapport, nr. 298).
Op 10 juli en 11 juli 's-nachts sprak Karremans met leiders van de Bosniërs, waaronder ABiH-commandant Becerovic en nood-burgemeester Osman Suljic. De ABiH wilde gezien de omstandigheden een tegenaanval doen. Zij zagen dit als laatste redmiddel om de verwachte moordpartijen te beperken. Karremans bezwoer hen echter dat aan de Bosnische Serven een strikt ultimatum was gesteld (zie NIOD-rapport, p.2207-2209). Hij deed een dringend verzoek aan de ABiH troepen om zich terug te trekken, zodat ze niet zelf door de luchtaanvallen zouden worden getroffen. Op grond van de nadrukkelijke toezeggingen zag de ABiH af van haar plannen (zie NIOD-rapport, p.2208-2210, VN-rapport, nr. 295-296).

Opmerkelijk:

Op 10 op 11 juli 1995, in de nacht, hebben alle manschappen van Dutchbat zich alweer van de Blocking Positions teruggetrokken, en zich opgesteld rond het marktplein van Srebrenica.

11 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (7e).


Op 11 juli 1995, rond 8.00 uur, deed majoor Weiffer van Dutchbat een zevende verzoek om Close Air Support (zie NIOD-rapport, p.2224-2226).

Opmerkelijk:

Op 11 juli 1995, om 9.45 uur, kreeg Dutchbat op deze aanvraag voor de zoveelste keer van de Nederlandse generaal Nicolai in Sarajevo te horen dat niet aan de voorwaarden zou zijn voldaan. De argumentatie was dit keer - wederom absurd - dat Dutchbat niet zelf werd aangevallen, en dat de bebouwde kom van Srebrenica (nog) niet was beschoten (zie NIOD-rapport, p.2226). Generaal Nicolai verklaarde later dat hij weinig meer had gehoord vanuit Srebrenica, en ondertussen zomaar had aangenomen dat de situatie wel zou zijn gestabiliseerd (zie NIOD-rapport, p.2227). Deze aanname was op dat moment volkomen misplaatst en absurd in het licht van de overweldigende realiteit die al vijf dagen van alle kanten gemeld werd: de gewelddadige aanval van de Bosnische Serven waarbij talrijke ernstige schendingen van de bestandsafspraken, VN-resoluties, de Safe Area, mensenrechten en oorlogsrecht hadden plaatsgevonden. Daarnaast werd even vergeten dat luchtaanvallen binnen de bebouwde kom weer zouden worden tegengehouden wegens risico's voor bevolking en Dutchbat militairen.

Op 11 juli 1995, rond 10.00 uur, was de VRS tot ongeveer 500 meter genaderd tot de posities van (Britse) JCO's en Nederlanders. Er volgde een aanval op de JCO's (zie NIOD-rapport, p.2221).

11 juli 1995: Aanvraag luchtsteun (8e).


Op 11 juli, rond 10.00 uur, diende Karremans een achtste aanvraag voor luchtsteun in. Deze aanvraag betrof één doel, te weten een tank ten zuiden van Srebrenica (zie NIOD-rapport, p.2226).

Opmerkelijk:

Dit keer stuitte de aanvraag op tegenstand van kolonel Brantz in Tuzla, opnieuw omdat aan allerlei voorwaarden niet was voldaan: de aanvraag diende op schrift te worden gesteld, er moest sprake zijn van een aanval die direct was gericht op UNPROFOR-eenheden, en dit diende vastgesteld te zijn door de verantwoordelijke staffunctionaris in Sarajevo (zie NIOD-rapport, p.2227). Dat was echter een fabeltje, want het mandaat noemde een aanval op UNPROFOR niet als vereiste voor luchtsteun.

Even later zou Brantz wel hebben doorgegeven aan Nicolai dat deze aanvraag voor luchtsteun onderweg was.

Opmerkelijk:

De vliegtuigen die op dat moment, vanwege de eerste aanvraag van die dag, al onderweg waren kregen vervolgens met instemming van Nicolai het bevel om weer terug te keren naar hun basis in Italië. Om 10.35 uur gebeurde dit (zie NIOD-rapport, p.2227).
De Serven zagen op hun raderschermen dat de vliegtuigen verdwenen, en concludeerden - geheel terecht op basis van hun ervaring - dat zij nu hun aanval op Srebrenica wederom ongestoord konden doorzetten (zie NIOD-rapport, p.2228).

Op 11 juli, om 10.50, bereikte de tweede aanvraag (van 10.00 uur) Sarajevo.

Opmerkelijk:

Nicolai antwoordde in eerste instantie dat er te weinig vliegtuigen beschikbaar waren, èn dat er te weinig doelen waren aangegeven. Opnieuw een absurde paradox, want voor beide gold op dat moment natuurlijk: elk geschikt doel en bruikbaar middel kon gewenst verschil maken. Er volgde weer een uitgebreide discussie tussen Dutchbat en UNPROFOR, waarmee opnieuw veel kostbare tijd verloren ging.

Uiteindelijk is de aanvraag Nicolai gepasseerd, en bleek opnieuw dat de procedure daarna soepel en ongehinderd verliep.
Om ca. 11.15 uur, dus binnen een half uur kwam de aanvraag vanuit Sarajevo aan in Zagreb, en werd deze door de VN en de NAVO goedgekeurd zonder verdere discussie of vragen (zie NIOD-rapport, p.2228,2232). Generaal Janvier tekende het zgn. Blue Sword request met toestemming voor " attacks on any forces attacking the blocking UNPROFOR position south of Srebrenica and heavy weapons identified as shelling UN positions in Srebrenica Town".
Akashi voegde aan die autorisatie nog de bevoegdheid toe om ook "forces attacking UN OP's on the parameter of the enclave" aan te vallen (zie NIOD-rapport, p.2232-2233).
Op 11 juli, om 11.43 uur, belde Brantz met De Jonge in Zagreb, sloeg groot alarm, en drong aan op de luchtaanvallen. Rond die tijd nam Brantz ook contact op met het DCBC in Den Haag, eveneens met alarmerende berichten en dringend verzoek om luchtsteun.
Op 11 juli, om 12.20 uur, meldde Zagreb aan Sarajevo dat de aanvraag voor luchtsteun was getekend. Op dat moment waren in totaal zes ondersteunende vliegtuigen beschikbaar (type EF-111, EA-6B en F-18C), en acht voor Close Air Support (type F16 en A-10). Een enkele A-10 kon binnen enkele minuten alle vier de (zeer gedateerde) T-54/55 tanks uitschakelen waarover de VRS beschikten.
Daarnaast stelde Vicenza nog eens vier extra F-18's ter beschikking om zich na de Amerikaanse A-10's voor te bereiden op het geven van Close Air Support.
Op 11 juli, om 12.30 uur, stegen de eerste vliegtuigen op vanaf het Amerikaanse vliegdekschip USS Roosevelt in de Adriatische Zee.

Opmerkelijk:

Vanuit Den Haag kwam nu weer snel de hindermacht in actie. Op 11 juli 1995, rond 12.30 uur, gaf de Nederlandse chef-defensiestaf (CDS) Van den Breemen, op instructie van minister Voorhoeve, telefonisch aan Kolsteren (te Zagreb) de richtlijn door dat de veiligheid van Dutchbat boven alles ging (zie NIOD-rapport, p.2236). Dit hield per implicatie in dat de Nederlandse regering de bescherming van Srebrenica feitelijk in de cruciale fase heeft uitgesloten.

Ondertussen bleek op de grond dat het ABiH niet langer kon standhouden. Vanaf 13.00 uur begon het ABiH zich terug te trekken en uiteen te vallen in eenheden op de vlucht voor het Servische vuur.
Tegen 13.45 uur waren de nodige vliegtuigen voor de luchtaanvallen het luchtruim van Oost-Bosnië binnengetreden, met in de buurt een tankervliegtuig.
Om 13.51 uur bevonden de vliegtuigen zich boven de Safe Area. Een aantal F-18's was in afwachting om het doelgebied in te gaan, en Amerikaanse F-16's en A-10's waren eveneens paraat (zie NIOD-rapport, p.2239). Om 13.56 uur kregen de vliegtuigen die gingen aanvallen vanaf de basis toestemming voor bombardementen.
Rond 14.00 uur stroomden ca. 4 tot 5 duizend vluchtelingen de compound van de B-compagnie binnen (zie NIOD-rapport, p.2131).
Om 14.20 uur maakten de Nederlandse F-16's het eerste contact met de Forward air controllers (FAC's) op de grond.
Om 14.40 uur, naderden de F-16's de doelgebieden van de enclave.
Om 14.42 uur, - na zes dagen van Servische opmars, en minstens zeven eerdere, vergeefse verzoeken tot luchtsteun - wierp de eerste Nederlandse F-16 eindelijk de eerste bom af (zie NIOD-rapport, p.2234,2236-2240). Kort daarna, wierp de tweede F-16 in één keer beide bommen af. De aangerichte schade was vooralsnog beperkt: er werd één tank vernietigd, en nog wat schade aangericht aan een bunker. Gelet op de zeer beperkte luchtaanval besloten de Serviërs zo snel mogelijk door te stoten naar stad Srebrenica, zodat zij de bevolking in gijzeling konden nemen.

11 Juli 1995, 15.00 u.: Verovering stad Srebrenica.


Op 11 juli, om 15.00 uur, volgde de inname van stad Srebrenica. Ongeveer 90 % van de bevolking was al gevlucht naar Potocari of Tuzla. De eerste blocking position (BP-I) onder bevel van Egbers begon met terugtrekking (zie NIOD-rapport, p.2245).
Op 11 juli 1995, om 15.00 uur, tijdens of direct na de eerste aanvalsgolf, was er telefonisch contact tussen Akashi en Milosevic. In dat gesprek zou Milosevic hebben verzekerd dat de gegijzelde Dutchbatters in handen van de VRS hun wapens en uitrusting hadden mogen behouden, dat zij goed behandeld werden en dat zij vrij waren in hun bewegingen (zie NIOD-rapport, p.2234-35).

Opmerkelijk:

Op 11 juli 1995, rond 15.50 uur, zou Dutchbat echter een tegengesteld bericht hebben ontvangen, afkomstig van van de gegijzelden die zich in Bratunac bevonden, via een radio van een YPR (een licht gepantserd rupsvoertuig) (zie NIOD-rapport, p.2240-2241). Mladic zou hebben gedreigd om 30 gegijzelde Nederlandse soldaten te doden, als de luchtaanvallen niet onmiddellijk werden stopgezet. Dit mysterieuze bericht staat uiteraard haaks op de verzekering die Milosevic zojuist aan Akashi had gegeven.

Opmerkelijk:

Het bestaan van een dergelijk bericht wordt in het NIOD-rapport weliswaar genoemd, maar opvallend genoeg wordt het niet gedocumenteerd aan de hand van een schriftelijke bron òf een getuigenverklaring. Dat is merkwaardig aangezien in het NIOD-rapport zelfs de kleinste details van een bronvermelding zijn voorzien. Met andere woorden, dit 'dreigement' lijkt op een broodje-aap verhaal, achteraf bedacht om Voorhoeve c.s. te verexcuseren voor hun afzegging van de luchtaanvallen.
Bovendien verklaarde plaatsvervangend Dutchbat commandant Franken over dit vermeende dreigement later dat het bataljon daaraan niet veel gewicht hechtte, omdat Mladic volgens hem geen VN-soldaten zou laten doden. Dat was nog nooit gebeurd en zou ook niet gebeuren (zie NIOD-rapport, p.2241).
Het vermeende dreigement van de VRS zou vrijwel onmiddellijk door Dutchbat zijn doorgegeven aan Brantz in Tuzla. Om 16.03 uur gaf Brantz het bericht door aan het DCBC in Den Haag (zie NIOD-rapport, p.2301-2302). Daar waren die middag minister Voorhoeve (Defensie), premier Kok en minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) in crisisberaad bijeen. Aanwezig waren ook Dirck Barth, secretaris-generaal van ministerie van Defensie, chef-defensiestaf Van den Breemen, en generaal Ad van Baal, als vertegenwoordiger van KL bevelhebber generaal Hans Couzy.

Opmerkelijk:

Na kort overleg was de conclusie dat de enkele Dutchbatters, die zich vrijwillig tot gijzelaar van de VRS hadden laten maken, absolute voorrang verdienden, dus zeker boven bescherming van de tienduizenden burgers in de Safe Area. De Nederlandse regering stelde vervolgens alles in het werk om verdere luchtaanvallen, waarvoor inmiddels toestemming was verleend van zowel de VN als de NAVO, tegen te houden of stop te zetten.
"Na enkele minuten overleg tussen de ministers was de conclusie dat de luchtsteun onmiddellijk moest worden gestopt. De bijeenkomst werd onderbroken om Voorhoeve in de gelegenheid te stellen de UNPROFOR-autoriteiten te bellen.
In de woorden van voorlichter Bert Kreemers: 'Na enig overleg, Voorhoeve kalm, Kok stil, kwamen de bewindslieden een werkverdeling overeen: Voorhoeve zou VN-vertegenwoordiger Akashi bellen, Kok - indien nodig - NAVO-admiraal Leighton Smith. Het gezicht van Wim Kok was asgrauw'.
" (Pamela Hemelrijk, Algemeen Dagblad, 17 april 2002; ref. NIOD-rapport, pag. 2300-2302).
"Voorhoeve nam op zich het hoofdkwartier in Zagreb te bellen. Zou daarmee de luchtactie niet te stoppen zijn, dan moest premier Kok de hoogste Navo-militair bellen op een nabijgelegen vliegdekschip." (Trouw, 17 november 1999).
"Terwijl de Dutchbatters vergeefs op ondersteuning wachtten, zaten hun eigen ministers Kok, Voorhoeve en Van Mierlo vanuit de Haagse bunker koortsachtig stad en land af te bellen, om de NAVO te bewegen de Close Air Support (die rond drie uur 's middags was begonnen) te staken. " (Pamela Hemelrijk, het Algemeen Dagblad, 17 april 2002; ref. NIOD-rapport, pag. 2300-2302).
Daarop werd onder meer rechtstreeks gebeld met de Nederlandse vertegenwoordigers op de NAVO-bases in Napels en Vicenza, om dringend de NAVO-commandant op de hoogte stellen. Voorhoeve belde zelf eerst Akashi om erop aan te dringen dat de luchtacties direct zouden worden gestaakt, en dat Dutchbat (!) zo spoedig mogelijk zou worden geëvacueerd (zie NIOD-rapport, p.2235; Het Parool, 31 mei 2000).
De toenmalig secretaris-generaal van de VN, Boutros-Ghali, bevestigde later dat Voorhoeve op 11 juli 1995 ogenblikkelijk met Akashi had gebeld toen de luchtaanval was begonnen, met het verzoek om deze stop te zetten (zie NIOD-rapport, p.2301).

Opmerkelijk:

Voorhoeve zou echter niet het 'dreigement' van Mladic als reden hebben aangevoerd. Hij zei te vrezen dat de Dutchbat-militairen door de luchtsteun gevaar zouden lopen. Dit argument was bizar want vanuit Dutchbat waren die signalen er niet. Integendeel, Dutchbat had nu juist om de luchtaanvallen gevraagd. Daarnaast werd hierbij de bevelsketen van de VN doorbroken.
Bij dit alles ging de zorg volledig uit naar de Nederlandse militairen, en speelde het lot van de bevolking geen rol.
Akashi zag zich genoodzaakt om de luchtsteun op te schorten (zie NIOD-rapport, p.2301; zie VN-rapport, nr. 306). Hij verklaarde later dat hij zou zijn doorgegaan met de luchtsteun " als de Nederlandse minister niet zou hebben geïntervenieerd" (zie de Volkskrant, 21 januari 1997; zie NIOD-rapport, p.2300-2301; zie ook VN-rapport, nr. 307).
Generaal Janvier reageerde op deze besluitvorming verbijsterd, en adviseerde dringend om de luchtaanvallen door te zetten. Hij liet weten dat de derde golf van vliegtuigen voor Close Air Support mogelijk niet meer kon worden afgebroken.

"Enfin, Akashi beloofde Voorhoeve dat de luchtsteun zou worden gestopt, als dat tenminste mogelijk was. Want de Franse generaal Janvier lag dwars, aldus Akashi. Die wilde namelijk doorgaan.
(Geen wonder dat Janvier elke medewerking aan het NIOD-onderzoek heeft geweigerd; zeven jaar lang heeft Nederland de schuld voor het uitblijven van luchtsteun op hém gegooid, en nu doet het persbericht het waarachtig weer!)
". [..] " Maar Voorhoeve was er nóg niet gerust op; hij was bang dat de VN niet snel genoeg de NAVO zou inlichten. Daarom belde hij ook nog persoonlijk met de NAVO in Brussel. Maar die liet weten de beslissing aan de VN te willen overlaten.
Voor de zekerheid liet Voorhoeve toen de Nederlandse luchtmacht in Napels en Vicenza bellen, om de operatie langs díe weg af te blazen. Daartoe miste hij de bevoegdheid (want zo werkt de NAVO-bevelsstructuur niet), maar niettemin liet hij weten dat het tóch moest gebeuren.
" (zie NIOD-rapport, pag. 2303; Pamela Hemelrijk, het Algemeen Dagblad, 17 april 2002; Trouw, 17 november 1999).
De Nederlandse F-16 pilote die als eerste een bom afwierp in de richting van de VRS, verklaarde in 2006 dat de luchtmacht kort erna te horen had gekregen dat de aanval diende te worden afgebroken in verband met de Nederlandse gegijzelden. (NCRV TV, uitzending 10 juli 2006, televisie-interview met originele beelden en geluidsopnamen vanuit de cockpit).
Tussen 15.33 uur en 16.18 uur, bij de tweede aanvalsgolf, werden geen bommen meer afgeworpen.

Opmerkelijk:

Volgens het NIOD-rapport waren bij de tweede luchtaanval die dag geen doelen van betekenis te vinden. De tanks van de VRS bevonden zich echter op de enige hoofdweg naar Srebrenica en Potocari, en waren goed zichtbaar. De Forward air controllers zullen de locaties gemakkelijk hebben kunnen doorgeven. Minstens één doel was zelfs al met een rookgranaat gemarkeerd (zie NIOD-rapport, p.2238).
Het feit dat de tweede golf van luchtaanvallen niet is doorgezet, is dan ook slechts te verklaren vanuit de Nederlandse bemoeienissen.
"Bij de eerste aanvalsgolf waren nog bommen afgeworpen, bij de tweede al niet meer. Toen kwam in Den Haag [namelijk] het bericht binnen dat de gegijzelde Nederlandse militairen zouden worden gedood als er een derde aanvalsgolf zou komen." (Pamela Hemelrijk, het Algemeen Dagblad , 17 april 2002; ref. NIOD-rapport, pag. 2300-2302).
"Het uitblijven van luchtsteun is de belangrijkste oorzaak dat Srebrenica in handen viel van de Serviërs, daar ben ik van overtuigd. Daarvoor houd ik VN-bevelhebber Janvier en VN-gezant Akashi als hoogste gezagsdragers persoonlijk voor verantwoordelijk. [...] Karremans en Franken waren er absoluut van overtuigd dat er luchtaanvallen zouden worden uitgevoerd, maar op het VN-hoofdkwartier in Zagreb, waar Janvier en Akashi zaten, lagen daarvoor geen plannen klaar, heb ik zelf kunnen vaststellen". (David Rohde, sinds 1995 werkzaam als correspondent in voormalig Joegoslavië, geciteerd in ' Dutchbat zweeg', de Volkskrant, 8 april. 2002).
Later doken twee geheime codeberichten op waarin VN-gezant Akashi aan het VN-hoofdkwartier in New York schrijft dat Voorhoeve degene is geweest die de NAVO-luchtaanvallen op het Bosnisch-Servische leger heeft afgeblazen. Akashi: "Janvier en ik zouden zijn doorgegaan [met .. luchtsteun] als de Nederlandse minister van Defensie niet zou hebben geintervenieerd" (zie B.Rijs en F.Westerman, 1997, Srebrenica, Het Zwartste Scenario, p.159-161).

Opmerkelijk:

Voorhoeve ontkende later weer glashard dat een heelhuidse aftocht van Dutchbat belangrijker werd geacht dan het welzijn van de Moslims daar, om deze ontkenning in één adem door te ontkrachten: "Maar we hielden wel rekening met de gevoelens van de ouders en verloofden van de Nederlanders die daar zaten"', zo staat te lezen in (Het Parool, 31 mei 2000).

Die middag voerde de Nederlandse chef-defensiestaf Van den Breemen vanuit Den Haag een telefoongesprek met de militair adviseur van de secretaris-generaal van de VN, de Nederlandse generaal Van Kappen, waarin hij meedeelde dat de derde luchtaanval diende te worden afgeblazen (zie NIOD-rapport, p.2304). Vervolgens is de derde aanvalsgolf inderdaad niet doorgegaan.

11 juli, 16.00 u.: Bevel tot inname nieuwe Blocking Position (bij compound Potocari).


Op 11 juli 1995, om 16.00 uur, werd op bevel van een van de compagniecommandanten van Dutchbat een nieuwe blocking position ingenomen, ten zuiden van de fabriekscomplexen bij de compound te Potocari.
Op 11 juli, ca. 16.20 uur, begon de VRS de wapensystemen te bezetten rond Srebrenica en Potocari.
Op 11 juli, voor 16.23 uur, belde VRS-generaal Milan Gvero met generaal Nicolai, met het dreigement dat bij luchtaanvallen de bevolking zou worden beschoten.
Op 11 juli, in de namiddag, gaf Janvier het bevel aan Dutchbat om alle OP's te verlaten, en zich terug te trekken naar de compound in Potocari. (zie NIOD-rapport, p.2240).

11 juli, voor 17.00 u.: Terugtrekking uit (stad) Srebrenica.


Op 11 juli, voor 17.00 uur, verlaten alle Dutchbatters Srebrenica en trekken naar Potocari.
Op 11 juli, om 17.05 uur, vraagt de Opsroom van Dutchbat aan de NAVO om weg te gaan van de enclave, wegens het dreigement van VRS-generaal Gvero (zie NIOD-rapport, p.2239).
Op 11 juli, om 17.16 uur, meldt Rudd van de NAVO aan admiraal Smith dat de Close Air Support kan worden gestopt.
11 juli, 18.10 uur: Gobilliard belde met VRS-generaal Gvero: vliegtuigen zijn nog steeds beschikbaar voor luchtaanvallen.

11 juli, na 16.00 u.: Bedreiging en verovering van laatste Blocking Positions.


Op 11 juli, in de namiddag na 16.00 uur, naderden VRS milities de blocking positions en maakten met gebaren duidelijk dat de aanwezige Dutchbatters de wapens dienden neer te leggen.

Opmerkelijk:

Die boodschap werd door Dutchbat gehoorzaamd, en de soldaten lieten zich ontwapenen door de VRS. Ook gaven zij hun voertuigen, scherfvesten en helmen af, één en ander wederom zonder slag of stoot. De grens werd getrokken alleen voor zover het de persoonlijke bezittingen betrof (zie NIOD-rapport, p.2250). Bij het vertrek van Dutchbat uit de Safe Area zou blijken dat in totaal 199 geweren, 25 UZI's, 38 pistolen, 18 stuks .30 mitrailleurs en 11 stuks .50 mitrailleurs 'kwijt' waren geraakt (zie NIOD-rapport, p.2249-2250). Daarnaast een groot aantal voertuigen zoals jeeps en YPR's, en verder VN-materieel zoals uniformen, scherfvesten, helmen, enz..
Nadat Mladic een aantal YPR's, jeeps en wapens had ingepikt, verklaarden de Nederlandse officieren dat de Serviërs - als waren het brave padvinders - 'beloofd' (!) hadden om de spullen terug te geven! (Bart Tromp, in: Elsevier, 23-12-1995, p.23-28).
De uitrusting die Dutchbat aan de VRS had overgedaan, werd enkele dagen later door de VRS gebruikt om in Nederlands uniform en met Nederlandse uitrusting getoond, in de bossen vanuit de Safe Area gevluchte mannen en jongens te lokken. Die werden vervolgens gevangen genomen, geboeid, vernederd, mishandeld en vermoord (zie NIOD-rapport, p.2686; en beelden in A cry from the Grave, van Leslie Woodhead, 1999, rond 57'30'').

Om ca. 17.30 uur belde Voorhoeve met generaal Nicolai en [maakte melding van] de evacuatie van Dutchbat.
Om ca. 17.30 uur belde Janvier met Gobilliard.
Om ca. 17.30 uur ca. 27.000 vluchtelingen rond Potocari.
Om ca. 17.30 uur belde Nicolai met Karremans, om een 'opbeurend' woord tot hem te richten.
Op 11 juli 1995, om 18.45 uur, gaf generaal Gobilliard per fax namens generaal Janvier het bevel aan Dutchbat: "Take all reasonable measures to protect refugees and civilians in your care." [..] "Continue with all possible means to defend your forces and installation from attack.".

Opmerkelijk:

Karremans schreef echter in de marge van het formulier: "niet mogelijk " (zie NIOD-rapport, p.2624-2625).

Opmerkelijk:

Dit commentaar schijnt echter geen van zijn superieuren bereikt te hebben. Die bleven dan ook in de veronderstelling dat de nodige actie werd ondernomen.
Generaal Gobilliard gaf tevens het schriftelijke bevel aan Dutchbat: " Giving up any weapons and military equipment is not authorized and is not a point of discussion".
Om ca. 18.50 uur belde Brantz met Karremans naar aanleiding van de fax, over onbegrip van Sarejevo dat sprak uit de gegeven instructies. Karremans werd op dat moment van alle kanten met berichten, vragen, eisen en opdrachten bestookt: door Brantz, Nicolai, het DCBC in Den Haag, eigen personeel, Serviërs van het VRS, en Bosniërs van het ABiH.

Actie tot definitief afstel van luchtsteun.


Op 11 juli 1995, om 17.45 uur, begon in Straatsburg een vergadering van de Franse regering met een Duitse afvaardiging op regeringsniveau. (rapport van het Franse Parlement, deel II, pagina 161 en verder). Kort hierop belde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo met de Duitse minister van Buitenlandse Zaken K. Kinkel.

Opmerkelijk:

In plaats van alarm te slaan en aan te dringen op militaire en diplomatieke bijstand, verzekerde Van Mierlo aan Duitsland en Frankrijk dat de Nederlandse troepen de situatie in de hand hadden, en dat de interventie van NAVO-vliegtuigen niet nodig was.

Opmerkelijk:

Hij verzweeg daarbij dat Kok, Voorhoeve en Van Mierlo (tezamen in het DCBC in Den Haag) op het moment reeds alles in het werk hadden gesteld om de luchtsteun af te blazen. En dat laatste juist met het tegenovergestelde argument, namelijk dat Dutchbat de zaak níet kon redden.
Een uur later, rond 18.00 uur, belde Van Mierlo opnieuw met Kinkel, met de mededeling dat Srebrenica aan het vallen was.

Opmerkelijk:

Nu stelde Van Mierlo dat luchtsteun nu te gevaarlijk was, omdat de Nederlandse militairen te dicht bij de VRS in de buurt waren (zie pagina 162, deel II, van het rapport van het Franse Parlement). Van Mierlo heeft daarmee opnieuw met een aantoonbaar onjuiste mededeling voorkomen dat de luchtaanvallen werden doorgezet, (zie NIOD-rapport, p.2412).

Opmerkelijk:

Eén en ander vormt een schril contrast met de verklaring die Van Mierlo later aflegde ten overstaan van de Nederlandse Parlementaire Enquêtecommissie: " Het moment waarop kracht werd gevraagd, was toen luchtsteun werd geweigerd. Alles concentreert zich daarop. Ik ben ervan overtuigd dat als de luchtsteun in overtuigende mate was gebracht, de enclave niet was gevallen en wij hier niet hadden gezeten." (rapport Parlementaire Enquête, p.599).
Om 18.30 uur werd de luchtoperatie uiteindelijk geheel afgeblazen (zie NIOD-rapport, p.2240).
De Amerikaanse diplomaat en onderhandelaar Richard Holbrooke oordeelde dat de Nederlandse Staat schuldig was aan het feit dat er geen massale luchtaanvallen waren gekomen. Holbrooke wees er op dat de Verenigde Staten wanhopig hadden aangedrongen op de inzet van het luchtwapen.

Opmerkelijk:

De Nederlandse Staat had dat volgens Holbrooke keer op keer afgewezen: " The first line of resistance to any action was the Dutch government, which refused to allow air strikes until its soldiers were out of Bosnia" [..] "For a week I called our Ambassador in the Netherlands, Terry Dornbush, instructing him to press the Dutch to allow air strikes but to no avail." aldus Holbrooke in zijn memoires (Richard Holbrooke, Amerikaanse diplomaat en onderhandelaar, To end a war, New York 1998).
Ook de toenmalig secretaris-generaal van de VN Boutros-Ghali verklaarde op 14 juli 1995 dat het de Nederlandse regering was geweest die de VN had gevraagd het luchtwapen niet verder in te zetten (zie NIOD-rapport, p.2301,2317).

Opmerkelijk:

Het NIOD concludeert bizar genoeg: "de gevolgen van de luchtsteun waren voor Dutchbat dat het zich moest terugtrekken uit Srebrenica Stad." (zie NIOD-rapport, p.2245). Het tegendeel was het geval: Dutchbat moest zich terugtrekken vanwege het zonder verzet opgeven van de OP's in combinatie met het niet doorzetten van de luchtsteun, dus uitdrukkelijk juist niet vanwege het doorzetten luchtsteun, temeer daar van enige luchtsteun van substantiële omvang nooit sprake is geweest.
De conclusie is onontkoombaar dat vanuit Den Haag alles in het werk is gesteld, en met succes, om een halt toe te roepen aan de inzet van de Close Air Support. Dit met doorbreking van de VN bevelsketen en de bij de VN rustende Command and Control (zie NIOD-rapport, p.2241).

Op 11 juli, om 19.30 uur, werd in het DCBC wederom een vergadering belegd waarbij premier Kok en minister Van Mierlo aanwezig waren. Hierbij kwamen de 30 gegijzelden ter sprake, alsmede het beroemd geworden begrip 'lotsverbondenheid'. (zie NIOD-rapport, p.2241).

Opmerkelijk:

Dat begrip was op dat moment echter al, zoals later werd toegegeven, louter symbolisch bedoeld, volkomen vrijblijvend en derhalve ledig van zin, inhoud, betekenis of strekking.
Het lot van de bevolking van de Safe Area speelde in de Haagse besluitvorming geen naspeurbare rol. De overweldigende prioriteit aan het Nederlandse belang, met name het eigen politieke lot, gerechtvaardigd met volstrekt onrealistische verwachtingen van de aanvaller, werd treffend verwoord door Van Mierlo: " De jongens eruit had prioriteit" .. "Dat is ook de fout die we altijd hebben gemaakt: de misschatting van de boosaardigheid" (de Volkskrant, 5-9-2000).

Op 11 juli 1995 brachten chef-defensiestaf generaal Henk van den Breemen en Ad van Baal, plaatsvervangend bevelhebber van de Landmacht, aan UNPROFOR generaal Bernard Janvier de eis over van de Nederlandse regering dat Dutchbat de enclave de volgende ochtend de enclave binnen een dag zou verlaten (NRC, 30-11-2001).

Opmerkelijk:

In al deze gevallen werd de Command and Control van de VN doorbroken, en eiste Den Haag om voorrang voor de Nederlandse doelen en belangen.
De bevolking van de enclave kreeg de instructie van Dutchbatsoldaten om zich naar de compound van Dutchbat in Potocari te begeven, waar zij veilig zouden zijn (zie NIOD-rapport, bijv. p.2609).
Na de inname van Srebrenica vluchtten 15.000 tot 25.000 vrouwen, kinderen en rond de tweeduizend mannen naar de compound van Dutchbat in Potocari.
Ongeveer 4.000 - 5.000 vluchtelingen werden toegelaten, waarvan ca. 80 gewonden. De rest - ca. 10 tot 20 duizend - moest van Karremans en Franken buiten blijven, en bleef op en rond de nabijgelegen fabriekscomplexen.
"Dit is hun grootste fout geweest na de verovering van de enclave. Karremans had alle vluchtelingen moeten toelaten, er was ruimte genoeg. Hij had de compound moeten uitroepen tot beschermd gebied van de Verenigde Naties. Hij had de satelliettelefoon moeten pakken en zijn superieuren, de media, de hele wereld moeten informeren over de situatie in de compound. Hij had alle krachten moeten mobiliseren en zijn boodschap aan de Serviërs had moeten zijn: tot hier toe en niet verder. Wij beschermen met onze levens deze vluchtelingen. Hij had veel meer moeten bluffen". ( de Volkskrant, 8 april. 2002, David Rohde, 'Dutchbat zweeg').

Op 11 juli 's-avonds werd door Akashi en UNHCR het gevaar erkend dat een evacuatie zou volgen waarbij de mannen afzonderlijk zouden worden afgevoerd. Ondertussen waarschuwden medewerkers van Artsen zonder Grenzen, UNHCR en Moslims ter plekke voor een ramp.

Op 11 juli, in de avond, vertelde Joris Voorhoeve tijdens de Ministerraad dat hij vreesde voor moordpartijen. "De minister-president vindt dat in eerste instantie een oplossing moet worden gezocht voor de dringende vraag, namelijk hoe de mensen een veilig heenkomen zullen krijgen. [..] Minister Voorhoeve antwoordt dat de grootste vrees is dat de mannelijke Bosnische moslims [sic] zullen worden vermoord" (notulen ministerraad, 11 juli 1995).

Op 11 juli om ca. 23.00 uur, had Karremans zijn eerste ontmoeting met Mladic.
Karremans had tevoren overlegd met Nicolai in Sarajevo.

Opmerkelijk:

Nicolai had Karremans op het hart gedrukt dat de voorgestane lijn - kort gezegd: zo snel mogelijk wegwezen - de instemming van Voorhoeve (Den Haag) had.
Aan Karremans werd in het kader van een getuigenverklaring ten overstaan van het Joegoslavië-Tribunaal, gevraagd waarom hij de mensenrechten-schendingen niet aan de orde had gesteld in zijn onderhoud met Mladic.

Opmerkelijk:

Karremans antwoordde daarop - tot verbijstering van de rechters van het tribunaal - dat hij daar 'eerlijk gezegd' niet aan had gedacht "To be frank, I have not thought about the idea of asking him what happened to the refugees." (zie NIOD-rapport, p.2733).
Na afloop van het gesprek tussen Karremans en Mladic, rapporteerde Karremans aan Brantz in Tuzla, en deze stelde direct Voorhoeve in Den Haag op de hoogte (zie NIOD-rapport, p.2635-2636).

Opmerkelijk:

Ook hierbij werd de Command and Control van de VN doorbroken, en werd Den Haag bij de beslissingen op de grond betrokken.

Binnen UNPROFOR bestond een voor buitenstaanders gesloten netwerk van Nederlandse officieren, waar andere nationaliteiten geen toegang toe hadden (zie NIOD-rapport, p.2320-2321), de zogenaamde ‘Nederlandse lijn': Van Kappen (in New York, onder Boutros Boutros-Ghali, Kofi Annan, Akashi); Kolsteren, De Jonge (in Zagreb, onder Janvier, Ashton); Nicolai, De Ruiter (in Sarajevo, onder Smith, Gobilliard); Brantz (in Tuzla, onder Haukland, Hatton); Karremans, Franken (in Srebrenica/Potocari). Dat er Nederlanders hoog in de VN-hiërarchie waren geplaatst was opzettelijk bedoeld om Nederland een vinger aan de pols te laten houden (zie NIOD-rapport, Samenvatting, p.131).
De Nederlandse lijn bij de VN onderhield dan ook nauwe contacten met het Defensie Crisisbeheersingscentrum (DCBC) in Den Haag, Den Haag, waar de ministers Voorhoeve (Defensie) en Van Mierlo (Buitenlandse zaken) verbleven, geregeld ook premier Kok, met ambtenaren van Defensie. Zij werden op hun beurt vergezeld van generaal Van Baal als vertegenwoordiger van de legertop, met name - uiteraard - generaal Couzy.
Op deze manier kon de Nederlandse legertop voortdurend direct - en nadrukkelijk - de Nederlandse regering adviseren en dirigeren. Ook kon zij direct de Nederlandse collega's en contactpersonen bij VN aansturen. Ten slotte begaf generaal Couzy zich 'in hoogst eigen persoon' naar Zagreb om daar greep op de feitelijke gang van zaken te houden. Zo waren er talrijke kanalen om invloed uit te oefenen op Dutchbat.
Minister Voorhoeve erkende later zelf dat Nederland in de praktijk bij herhaling zelf de Effective Control uitoefende (zie pagina 2283 van het NIOD-rapport): "De minister van Defensie, Voorhoeve, stelde zich tegenover het NIOD op het standpunt dat deze regelgeving omtrent Command and Control, en de vraag hoe ieders verantwoordelijkheid lag, min of meer duidelijk was, maar dat het tegelijkertijd in de praktijk niet mogelijk was gebleken om dit soort zaken te scheiden, waardoor deze door elkaar heen gingen lopen. Volgens hem was het strikt volkenrechtelijk gezien mogelijk om te redeneren dat Nederland eenheden aan de VN ter beschikking had gesteld, en dat Nederland daarna alleen nog het recht had om deze eenheden terug te roepen, maar dat het verder aan de VN was. Den Haag zou daarmee zeggen: deze militairen zijn nu VN-blauwhelmen, en daarmee is dit ons probleem niet. Maar zo lagen de zaken in de praktijk niet, stelde Voorhoeve."
De invloed van 'Den Haag' op Dutchbat uitte zich onder andere in frequente verzoeken om informatie. Daarbij werd voorbijgegaan aan de formele lijnen en verantwoordelijkheden. Dat deed generaal Nicolai in Sarajevo later verzuchten: " Het moment dat ik echt wat pissig naar Den Haag heb gebeld, was toen ze in Den Haag gingen vragen waar de Forward Air Controllers zich bevonden. Het moet toch niet gekker worden dat ze dat in Den Haag al willen weten." (zie NIOD-rapport, p.2626).
Maar ook de Nederlandse UNPROFOR-officieren (waaronder de hierboven aangehaalde Nicolai zelf) doorbraken de chain of command, door rechtstreeks vanuit Sarajevo met de Safe Area te bellen. Daarbij werden andere schakels in de bevelsketen - New York - Zagreb - Sarajevo - Tuzla - Dutchbat - overgeslagen (zie NIOD-rapport, p.2626). Hierdoor konden andersdenkende schakels in de VN-bevelsketen - niet congruent aan de wensen en belangen van de Nederlandse Staat - worden gepasseerd en kon de Nederlandse Staat haar invloed redelijk ongehinderd uitoefenen.
Feitelijk ontstond een patroon waarin beslissingen sterk werden bepaald door Nederlandse onderonsjes.


11-12 Juli 1995.



12 Juli 1995: Aanval op Srebrenica, dag 7.


Op 12 juli reden Dutchbatters ijlings met volgeladen voertuigen van hun posities weg, en merkten daarbij dat ze over lichamen van vluchtelingen reden - dood of (meer waarschijnlijk) levend.
De Serviërs drongen Srebrenica binnen, en duizenden mensen vluchtten naar de compound van Dutchbat.

Scheiden van mannen-vrouwen.


Mannen in de 'weerbare leeftijd' van 16 tot 60 jaar werden gescheiden van de rest van de bevolking, gevangengenomen en afgevoerd.

Wegsturen en uitleveren.



Dutchbat liet de mensen in de buurt van de basis afvoeren, zonder iets te ondernemen.
Vijf duizend vluchtelingen werden door Dutchbat weggestuurd van de compound in Potocari, recht in de armen van de Serviërs gedreven, zonder dat ook maar een poging werd gedaan om enige garantie te bedingen voor hun veiligheid.
Tevens leverde Dutchbat 251 Bosnische medewerkers van hun eigen compound uit aan de Serviërs.

Daarnaast vluchtten ongeveer 15 000 Bosniërs naar gebied in handen van de Bosnische regering, met name Tuzla. Grote aantallen van hen, waaronder vele ongewapende burgers, werden alsnog door de Serviërs gevangen, of onderweg afgeslacht: 'gedood in gevechten', zoals later door de Serviërs werd beweerd.
Op 12 juli kreeg Voorhoeve een telefoontje van kolonel Branz uit Tuzla, de eerste directe VN-chef van Karremans, die zei: "Ik heb nu Karremans aan de lijn gehad en het gaat niet goed met hem".

Opmerkelijk:

Voorhoeve: "Dat bericht week totaal af van het beeld dat werd geschilderd door de Landmachtstaf".
Van 9 tot en met 14 juli 1995 waren alle meldingen van de landmacht over de toestand in Srebrenica volgens minister van Defensie Voorhoeve "uiterst positief" (Voorhoeve op 31 aug. 1998, in een verklaring tegenover de commissie Van Kemenade).
"De commandant (Karremans) heeft het allemaal onder controle. Functioneert uitstekend. Protesteert tegen de evacuatie van mensen. Heeft bedongen dat al die bussen worden begeleid door Dutchbatters. Men (Dutchbat) let er goed op dat er niets lelijks gebeurt".
Voorhoeve wilde hiermee duidelijk maken "waarom het zo trekken en duwen was, om feitelijk correcte informatie vanuit de landmacht te krijgen over wat er nou eigenlijk was gebeurd".
Het is goed denkbaar dat figuren binnen de landmacht, die verantwoordelijk waren voor eerdere pro-Servische desinformatie, nu ijverden om ook deze gebeurtenissen te bagatelliseren en te verdoezelen.

12 juli : Afvoeren van alle 'weerbare mannen'.



Afvoeren van de mannen.


Op 12 juli kreeg Voorhoeve een rapport met melding van het 'debriefen' van 'weerbare mannen'. Ook Hans van Mierlo en Jan Pronk vreesden voor het lot van de Moslim mannen.
Karremans vertelt achteraf in zijn boek dat hij al wist dat het Servische leger mannen uit de menigte trok en afvoerde om hen te 'ondervragen', dat de evacuatie razendsnel verliep en dat de zaak niet meer onder controle was. Hij zou aan hogerhand met klem hulp hebben gevraagd: " Doe iets, regel wat, zo kan het niet langer doorgaan".
Commandant De Ruiter in Sarajevo zou hebben geantwoord: "Raak niet in paniek, je maakt een overspannen indruk".

Opmerkelijk:

Karremans verklaarde echter op 22 juli 1995 in het eerste debriefingsverslag dat de Servische commandanten niet op de moorden "werden aangesproken", en dat hij niet op de hoogte was geweest van het scheiden van mannen en vrouwen - in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring in Zagreb.

Opmerkelijk:

Karremans beweerde later tegenover het Tribunaal dat hij niet wist wat er ging gebeuren met de Moslim mannen.
Karremans gaf met een verbijsterende botheid blijk van zijn afwegingen op dat moment: " Ik heb nadrukkelijk gekozen voor medewerking met het afvoeren van de Moslim mannen want daardoor is voorkomen dat veel ellende op de stoep van de compound terecht zou komen" (Karremans, 1998).
Het afvoeren van de mannen gebeurde zogenaamd voor 'verhoor'.

Opmerkelijk:

Het werd door Dutchbat toegestaan onder het mom: De Serviërs " waren op zoek naar oorlogsmisdadigers".
De Nederlanders meenden kennelijk dat hun vrijwillige medewerking aan oorlogshandelingen, gericht tegen lijf en goed van hun beschermelingen, en rechtstreeks tegen uitdrukkelijke VN-bevelen in, ineens wèl onder hun mandaat viel.
Ook dachten ze schijnbaar reden te hebben om te vermoeden dat het eigen Bosnische personeel, dat zij vrijwillig uitleverden, schuldig zou kunnen zijn aan oorlogsmisdaden.
Verder gingen ze er blijkbaar prompt van uit dat de Serviërs zomaar internationaal-rechtelijk het bevoegde gezag hadden, en dit keer, plotseling, het oorlogsrecht zouden respecteren ..
Dat waren natuurlijk stuk voor stuk, gegeven de toen al bekende feiten, volkomen absurde aannamen.
Commando P. van Klinken verklaarde in een uitzending van de VPRO op 14-8-1998 dat Dutchbatters hielpen bij het bijeenbrengen van Moslims voor 'transport' (deportatie).
Bart Tromp: "De Nederlandse Blauwhelmen hebben toegekeken of de massamoord correct werd uitgevoerd ".

x.

Welwillend tegenover de oorlogsmisdadigers


Tot in het absurde bleven de Nederlanders met de Servische oorlogsmisdadigers sympathiseren.
Karremans zelf maakte het wel héél dol: hij verleende generaal Mladic zijn vrijwel onvoorwaardelijke medewerking in ruil voor een veilige aftocht van Dutchbat. En toostte met hem op de goede afloop. Hij deed verder niets. Hield zich verborgen terwijl de enclave door de Serviërs werd 'leeg gezuiverd'. En nam bij vertrek, gezien de beelden daarvan blij als een kind, cadeautjes van Mladic in ontvangst.

x.

Geen moeite om hulpdiensten te alarmeren



Ongeacht de te verwachten slachtingen hadden de Dutchbat militairen, en meer nog de Nederlandse politici, op zijn minst de plicht om onmiddellijk tijdens of na het 'vertrek' van de burgerbevolking, en het afvoeren van de Moslim mannen, groot internationaal alarm te slaan. Op zijn minst had met maximale inzet van mogelijkheden een omvangrijke actie van hulpdiensten gemobiliseerd moeten worden zoals Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen, UNHCR, enz..

Opmerkelijk:

Hiervoor werd echter geen enkele moeite gedaan. De talrijke, onmiskenbare schrikbarende berichten uit Srebrenica waren voor de Nederlandse regering nog steeds geen aanleiding tot groot internationaal alarm en krachtdadige diplomatieke en militaire actie.

Samenvattend/ conclusie:


Bij de Servische aanval op Srebrenica werd door Dutchbat al met al geen reële poging gedaan tot verdediging en bescherming van Srebrenica. Er heeft allerminst een 'verdediging met alle mogelijke middelen' plaatsgevonden overeenkomstig het bevel van de VN bevelhebber. Weliswaar werd er op enkele momenten een begin van militaire tegenstand getoond, maar dit bleef zeer kleinschalig, kortdurend, weinig doortastend, en geenszins effectief. Vrijwel alle observatieposten werden haastig en zonder slag of stoot verlaten zodra ze werden beschoten of verbaal werden bedreigd. Er was bovendien geen sprake van een serieuze poging om de vluchtelingen te beschermen overeenkomstig de vele toezeggingen, de VN-resoluties en het bevel van 11 juli 1995 uit Sarajevo.
Wellicht was de slagkracht van Dutchbat ontoereikend (zoals gepland, zie elders), en mogelijk hadden luchtaanvallen een uitkomst kunnen bieden. Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het betoonde, povere verzet de enige optie en de beste keus was waartoe men op dat moment in staat was. Er waren meer en andere mogelijkheden tot actie. "Dutchbatters hadden levens kunnen redden" stelt Kofi Anan, secretaris-generaal van de VN, op basis van het VN-rapport (de Volkskrant , 16-11-1999).
De Dutchbatters waren - geheel volgens de prioriteitsstelling van de regering en de landmacht top - voornamelijk bezig met het beschermen van hun eigen belangen: het voorbereiden van het eigen vertrek, het redden van eigen mensen en materieel.
Deze kritiek op Dutchbat wordt gedeeld door prominente (oud-)militairen van het Nederlandse leger die vaak zelf in staat zijn geweest krachtdadig op te treden. Een goed voorbeeld is drs. Piepers, auteur van Vechten voor Vrede (2002) over zijn periode als bevelhebber van het Nederlandse contingent binnen de Rapid Reaction Force tijdens het NAVO ingrijpen tegen de Bosnische Serviërs in september 1995. Zie bijv. I. Piepers, NIOD-rapport zit er naast, NRC Handelsblad, 13-4-2003, p.6.
Zie in dit verband ook de ingezonden brief van luitenant-kolonel b.d. R. de Jong in Trouw , 13-4-2002, p.25.

Voor de Nederlandse politici was ondertussen gewetensvol handenwringen genoeg .. De vroom beleden 'lotsverbondenheid' waarvan de Nederlandse politici in de Ministerraad van 11 juli 1995 spraken, had dan ook geen enkele concrete consequentie.
Sterker, deze werd in werkelijkheid door Dutchbat vooral jegens de dáders getoond - als gevolg van een reeds lang tevoren gegroeide verstrengeling van belangen. Het ontaardde in een tolerantie voor terreur die voor velen fataal is geworden.

Op grond van de talloze voorgaande, welbewuste keuzes, was een werkelijke militaire confrontatie met de Serviërs op voorhand uitgesloten. Sterker, zij kregen feitelijk de vrije hand om hun misdaden te begaan. Nog schokkender is dat zij hierbij actieve medewerking kregen van Dutchbat soldaten - het tegendeel van verzet - op bepaalde keuzepunten die beslissend zijn geweest voor het lot van de slachtoffers.

De militaire bevelhebbers en Dutchbat soldaten deden tegenover de slachtoffers in feite het omgekeerde van bescherming of verdediging.
Dutchbat assisteerde de Serviërs bij de totale gedwongen ontruiming van de enclave, het - vaak met bruut geweld - scheiden van de gezinnen, de verwijdering van jonge meisjes (bestemd voor verkrachting), het wegvoeren van de mannen (bestemd voor marteling en afslachting), en de deportatie van duizenden burgers.
Het liep er op uit dat de Dutchbatters actief orders uitvoerden van de Servische generaal Mladic bij weerzinwekkende activiteiten als het scheiden van gezinnen en het uitleveren van de Moslim mannen (waaronder eigen medewerkers) aan de Serviërs.

En dit alles terwijl de Dutchbatters op dat moment al onmiskenbaar wisten - of redelijkerwijs hadden kunnen weten - dat de Moslims alle rechten waren ontnomen, dat er meisjes en vrouwen werden verkracht, dat burgers al aan flarden werden geschoten, dat Servisch 'verhoor' van Moslim mannen in het beste geval mishandeling en marteling zou betekenen, dat op dat moment al Moslims werden geëxecuteerd, ... en dat het meest waarschijnlijke, spoedige vervolg zou zijn dat de duizenden afgevoerde mannen op gruwelijke wijze de dood tegemoet zouden gaan (zoals vele tienduizenden Moslims vóór hen in Bosnië in de drie jaren ervoor).
De Dutchbatters lieten bij hun vertrek uit Srebrenica vele duizenden mensen dood of in een mensonterende en volkomen ontredderde toestand achter.