j.
De 'veilige gebieden'
Van reële uitvoering van de VN-resoluties kwam lange tijd weinig terecht.
De verwoesting en ontwrichting van de Balkan nam echter zulke schokkende en mateloze
vormen aan dat gaandeweg toch het besef doordrong dat de situatie onacceptabel was. Vooral voor de Bosniërs werd de
situatie steeds alarmerender.
Op 14 maart 1993 deed generaal Ph.P.L.A. Morillon, als toenmalige
Force Commander van UNPROFOR,
aan de bevolking van de stad Srebrenica een ondubbelzinnige toezegging: "
Vous êtes maintenant sous la protection de l'Onu .. Je ne vous abandonnerai jamais."
(vertaling: 'U staat nu onder de bescherming van de VN .. Ik zal u nooit verlaten.').
"
Met zijn verklaring van 14 maart laadde Morillon een grote
verantwoordelijkheid op UNPROFOR en de Verenigde Naties. [..]
De Bosnia Herzegovina Commander verplichtte de vredesmacht nu
ook tot bescherming van een gebied en zijn bewoners." (zie NIOD-rapport, p.1223).
Door de VN-veiligheidsraad werden op 3 juni 1993 eindelijk van de zwaarst belaagde gebieden
tot zogenaamd 'veilige gebied' (
safe area) uitgeroepen: Sarajevo, Tuzla, Gorazde, Srebrenica, Zepa en Bihac.
j.
Onophoudelijke dreiging
j.
De fictie van de 'veilige belegering'
De status van 'veilig gebied' bleek al gauw een nogal symbolische etikettering. Ze lagen van begin 1992
tot midden 1995 voortdurend onder Servisch vuur, en behoorden steeds tot de
meest gevaarlijke
oorden in Europa: "
The Safe Areas were among the most profoundly unsafe places in the world"
(Laura Silber & Allan Little, 1995, 'The Death of Yugoslavia').
De situatie in en rond Srebrenica.
Srebrenica was één van de gebieden die belegerd werden door een Servische militaire overmacht, en
herhaaldelijk op het punt stonden om onder de voet te worden gelopen. Rond de enclave bevond zich het VRS
(Vojska Republika Srpska, het Bosnisch-Servische leger), zwaar bewapende ervaren strijders, deels afkomstig uit
het Joegoslavische leger, en deels gerekruteerd uit Servische extreem-nationalisten, criminelen en randfiguren
afkomstig uit diverse gebieden van het voormalige Joegoslavië. Binnen het gebied bevonden zich verspreide eenheden
van het ABiH (Armija Bosna i Herzegovina, het Bosnische regeringsleger) die de bevolking diende te verdedigen
maar voornamelijk bestond uit gerekruteerde slecht getrainde en slecht bewapende boeren en burgers.
Een Servische aanval op het belegerde gebied was slechts een kwestie van afwachten.
Dat de Serviërs daarbij plotseling géén oorlogsmisdaden tegen de niet-Servische inwoners zouden plegen,
zou een wonder zijn geweest.
In artikel 1 van VN-resolutie 819 van 16 april 1993 was over Srebrenica gesteld
dat het gevrijwaard diende te blijven van elke aanval of vijandelijkheid.
[*NOG DOEN:]
{*GH_13.} In januari 1993 was de enclave gekrompen van 900 tot 140 vierkante kilometer en was de
bevolking in Srebrenica gegroeid tot tussen de 50.000 en de 60.000 mensen.
Hieronder bevond zich een groot aantal vluchtelingen uit de dorpjes en stadjes rond Srebrenica.
In de daarop volgende maanden waren er berichten over terreurdaden van burgers over en weer.
Groepen Bosnische Moslims organiseerden in reactie op de terreur
gewelddadige uitvallen naar Servische dorpen in de omgeving van de
enclave waarbij Servische nederzettingen en huizen zonder aanziens des persoons werden geplunderd en platgebrand.
Deze uitvallen hadden tegelijk het karakter van rooftochten,
nu de voedselsituatie in Srebrenica steeds nijpender werd.
Tussen april 1992 en maart 1994 vielen ten minste 1.000 Servische burgerslachtoffers,
terwijl in die periode circa 2.000 Moslims in en rond de enclave omkwamen
(zie pagina 189 en 190 van het NIOD- rapport 'Geschiedenis en herinnering in Oost-Bosnië').
Eerste periode Canadezen (Canbat).
Op 18 april 1993 werd de overeenkomst tot demilitarisatie van Srebrenica getekend. Vervolgens kreeg
de Canadese UNPROFOR
CanBat I compagnie o.l.v. majoor Poirier, 150 man sterk,
de opdracht om zich van Tuzla naar Srebrenica te verplaatsen. De toenmalige UNPROFOR legercommandant L-E. Wahlgren
beschreef deze compagnie als bestaande uit '
well trained peacekeepers with heavy arms (...) the best that there was' (3 juni 1999, interview).
Op 8 mei 1993 werd een overeenkomst gesloten tussen Morillon, met het Bosnische leger, het ABiH,
en het Bosnisch-Servische leger, het VRS, over de grenzen van de
Safe Area Srebrenica
die de partijen te respecteren hadden.
{GH_37.} Volgens de geldende VN-resoluties dienden de VN-troepen de burgers en het gebied in de
Safe Area
Srebrenica te beschermen. Daarnaast dienden ze zich in te zetten voor verbetering
van de levensomstandigheden van die bevolking, Ook dienden de VN de hulpkonvooien
en verdere humanitaire operaties van UNPROFOR in het gebied te beschermen (zie NIOD-rapport, p.1361).
Op de EU-top in Kopenhagen, juni 1993, viel eindelijk het besluit dat de Europese landen tenminste troepen dienden
te leveren om de 'veilige gebieden' te beschermen.
Voor een effectieve beveiliging van de 'veilige gebieden' werden achtereenvolgens, om de lidstaten te paaien,
steeds minder manschappen nodig geacht:
Volgens Boutros Boutros-Ghali, secretaris-generaal van de VN: 150 000 man;
Volgens Lewis McKenzie, eerste Amerikaans bevelhebber: minstens 100 000 man;
Volgens de Belgische generaal Francis Briquemont, UNPROFOR-bevelhebber: 70 000 man;
Volgens UNPROFOR, in mei 1993: 34 000 man.
In de slotverklaring van de EG-top in Kopenhagen, 20 en 21 juni 1993, spoorden de
twaalf EG lidstaten zichzelf aan tot uitvoering van VN resolutie nr. 8.36. Zij riepen elkaar op om 7 600
man extra beschikbaar te stellen.
Dit povere aanbod werd nu gepresenteerd 'als politiek signaal'. Het was een
schijntje van wat eerder werd genoemd als het minimaal nodige.
Sir Michael Rose kreeg ten slotte slechts 2 000 man ter beschikking (Britten, Fransen en Nederlanders).
De Nederlandse regering presenteerde eind juni 1993 aan de Tweede Kamer het
voorstel om een Nederlandse bijdrage te leveren: een 'vredesmacht' van 400 rekruten van de Luchtmobiele Brigade.
..
{GH_38.} De bescherming van het gebied van de
Safe Area in Oost-Bosnië en de bewoners,
werd vorm gegeven door het inrichten van 15 zogenaamde observatieposten (OP's) (zie NIOD-rapport, Samenvatting
p.141, kaart). Daarnaast werd in de stad Srebrenica een kleinere
en in een nabijgelegen gehucht Potocari een grotere basis (of
compound) ingericht voor VN-soldaten
(zie NIOD-rapport, p.1337; ibidem, Samenvatting, p.212).