'Psychologie van de Subjectieve Beleving'

©



Theorie van het Bewustzijn :


'Is reductie van bewustzijn haalbaar?'


CvdV
[Eerste website versie 04-12-2008]
[5de, herziene versie 20-03-2012]

Weerlegging van bewustzijn als illusie



Een pseudo-illusie - of 'illusionistische' metafoor ?





1. Inleiding



Er zijn globaal gezien twee manieren waarop kan worden geprobeerd om het bewustzijn te verklaren (te reduceren) tot een verschijnsel dat binnen de gangbare wetenschapsopvatting kan worden geaccepteerd: het wordt hetzij verklaard uit een puur fysisch proces in de hersenen, of uit een proces van informatieverwerking dat in principe in een computer of robot, met de juiste software, kan worden nagebootst. In beide benaderingen zijn weer twee meer specifieke opvattingen of accenten mogelijk: bewustzijn wordt gezien als identiek aan een bepaald type, onderdeel of kenmerk van fysische hersenprocessen respectievelijk abstracte informatiepatronen, of als effect, resultaat of product van die processen of patronen.
Een bewustzijnsmodel dat de laatste jaren stevig concurreert met de biologische visies en de 'computer' analogieŽn, is die waarin bewustzijn wordt opgevat als illusie, dat wil zeggen, een drogbeeld van het denken (zie met name Daniel Dennett, 1991 en verder).
Volgens dit 'illusiemodel' worden in de hersenen, via complexe processen van informatieverwerking, bepaalde intrapsychische representaties van objecten gevormd, weerspiegelingen of 'reflecties', waardoor - onbewust en onbedoeld - de illusie van subjectief bewustzijn zou worden opgeroepen. In deze visie zou er dus geen sprake zijn van een reŽel bestaand bewustzijn. Er vindt in dit model als het ware een 'illusionistische' eliminatie van bewustzijn plaats.
{Nb. Het illusiemodel behoort dus tot de meer extreme reductiemodellen van bewustzijn.
Als parafrasemodel betreft het de meest minimalistische variant: een vorm van eliminitavisme.
Als causale verklaring betreft het een radicale versie van functionalistisch materialisme, waarin alleen de mechanische werking van fysische processen wordt gezien als bron van bewustzijn.
In het illusiemodel wordt onder meer aangesloten bij de 'meme' theorie van Richard Dawkins (1976 e.v.), en het radicale materialisme van Susan Blackmore (1992 e.v.). }

We zullen in dit artikel eerst, in hoofdstuk 1, een samenvatting geven van het illusiemodel. Vervolgens bekijken we, in hoofdstuk 2, wat de claims zijn van dit model en welke eisen hieraan mogen worden gesteld om ze te honoreren. Daarna zullen we het model in de volgende hoofdstukken bezien vanuit verschillende mogelijke interpretaties, en toetsen op daarbij horende relevante eisen en criteria. Tenslotte zullen we in het tiende en laatste hoofdstuk de conclusie formuleren uit deze exercitie.

2. Een weerslag van weerspiegelingen



De redenering van de illusie-metafoor van het bewustzijn kan in een aantal stappen worden weergegeven:

a. 'Spiegelingen' in het brein.


De werking van het brein zou berusten op het principe van 'weerspiegeling' - oftewel representatie - van objecten. Het brein wordt vergeleken met een spiegelhuis. Het zou een soort 'innerlijke', fysische 'ruimte' vormen, of microkosmos, waarin de externe wereld, met haar diverse dimensies, door de psyche continue wordt afgebeeld of weerspiegeld.
Hierbij wordt verwezen naar allerlei relatief geavanceerde vormen van informatieverwerking in het menselijk denken. Te denken valt aan diverse cognitieve functies in dit verband:
(a1)

Modelvorming.


De vorming van een algemene voorstelling van de werkelijkheid, een wereldmodel, als een soort virtuele spiegelversie van de realiteit.
"We anticipate events by construing their replications"
(Kelly, G.A., 1955; 'Construct Theory', 'Construction Collorary').
Zoals bekend is dit wereldmodel opgebouwd uit abstracties zoals generalisaties, versimpelingen, stileringen en symbolen.
{Nb.

Verschillende termen voor het wereldmodel.


Het begrip 'voorstelling van de wereld' kunnen we terugvinden onder verschillende noemers in allerlei theorieŽn binnen diverse wetenschapsvakken. Zie hiervoor de zeer beknopte samenvatting: Principes van Modelvorming, Mogelijkheden van kennis, informatie en logica; Hoofdstuk 3, Modelvorming. }
(a2)

zelf-reflexieve waarneming.


Het vermogen om zichzelf, het eigen uiterlijk en de eigen externe reacties waar te nemen.
(a3)

Introspectie.


Het vermogen om de eigen interne gevoelens, reacties en mentale processen gade te slaan.
(a4)

Zelf-reflexieve cognitie.


Het 'weten wat men weet', oftewel het zelfstandig checken of toetsen of men iets reeds weet, c.q. al in zijn geheugen heeft.
(a5)

Zelf-representatie.


De vorming van een interne, samenhangende voorstelling van zichzelf, een 'zelfbeeld', zelf-concept of self-model (of 'autobiografisch zelf', volgens A. Damasio, 1994).
"Perhaps consciousness arises when the brain's simulation of the world becomes so complete that it must include a model of itself" (R. Dawkins, 1976).
(a6)

Zelf-reflexieve herkenning.


Het toetsen van nieuwe zelf-waarnemingen aan het opgebouwde interne zelfbeeld.
(a7)

Zelfreflectie.


Het overdenken, kritiseren en evalueren van het eigen functioneren, in relatie tot zelfbeeld, en concept van een 'ideaal zelf'.
(a8)

Interne dialoog.


Het gebruik van taal inclusief het vermogen om te denken in taal, en innerlijk met zichzelf te overleggen en te discussiŽren. Gedachten kunnen de vorm hebben van interne verbalisaties, of innerlijk 'gepraat' (te vergelijken met de zgn. inner talk of self-talk volgens de Rationeel-Emotieve Therapie (RET), internal dialogue volgens Neuro-linguÔstisch programmeren (NLP), en 'conversations' of 'speakings of the brain' in de woorden van Daniel Dennett.

b. Vertekening door weerspiegeling.


Het is verder bekend dat elke 'spiegelversie' of representatie van een object in ons brein subjectief is (in de zin van subject-bepaald'), feilbaar en altijd in zekere mate vertekenend.
"Man's truth is never absolute because the basis of fact is hypothesis" (Ch.S. Peirce, Writings vol.I, p.7).
{Nb. Zie voor een beknopt overzicht: Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming. }

c. Creatieve mentale constructie / stilering omwille van 'cognitieve idealisering'.


Het brein maakt niet alleen een sterke selectie, reductie en vertekening van informatie, maar voegt er ook actief inhoud en structuur aan toe.
In de hersenen bevinden zich hiervoor aangeboren mechanismen en grondpatronen, zoals de zgn. Kantiaanse categorieŽn van het verstand (I. Kant, 1781); en de zgn. Gestaltwetten uit de Gestaltpsychologie (o.a. M. Wertheimer, 1912 e.v.; K. Koffka, 1922, 1935; W. KŲhler, 1920, 1929 e.v.; en K. Lewin, 1951; etc.).

Hierdoor is het brein in staat om onvolledige percepties 'af te maken', door ad hoc, actief en creatief, 'kunstmatig' en 'improviserend', de lacunes aan te vullen met de naar beste inschatting 'meest waarschijnlijke' missende elementen op grond van aangeboren grondpatronen.
Het meest onderzocht in dit opzicht is het gebied van visuele herkenning.
Uit minimale fragmenten destilleren we gehele vormen, geometrische figuren zoals cirkels, driehoeken, enz., maar ook complexe schema's van gezichtsexpressies, lichaamstypen, enz..
Door dit soort creatieve mechanismen nemen we in onze 'Bubble of Perception' veel meer waar dan wat feitelijk waarneembaar is: we gaan 'beyond the information given' (Bruner, 1957a).
{Nb. Zie hiervoor onder: Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming; Hoofdstuk 2, Psychologische beperkingen en tendenties. }

Het is aannemelijk dat we de basisschema's voor de Gestaltwetten te danken hebben aan het cumulatieve leereffect van talloze directe zintuiglijke waarnemingen (eigenlijk evenzovele steekproeven) die wij, en onze genetische voorouders, van hun natuurlijke of culturele omgeving hebben gedaan. Bijvoorbeeld, mensen maar ook andere soorten hebben in duizenden generaties talloze malen allerlei ronde vormen waargenomen, in vrijwel alle denkbare varianten, waaruit het brein een 'gemiddelde' heeft gedestilleerd, in dit geval de 'ideaalvorm' van de perfecte ronde cirkel.

d. Onverklaarbare robuustheid.


Uit de genoemde processen en eigenschappen zou volgen dat elk idee, gevoel of ervaren van bewustzijn (zoals in *b hierboven) een foutief idee, of in ieder geval misleidend idee (zoals in *c), en daarom een 'illusie'.

Dit wordt bovendien beargumenteerd door te verwijzen naar diverse moeilijk te verklaren eigenschappen van bewustzijn, zoals daar zijn:
(d1) De opmerkelijke mate van continuÔteit, stabiliteit en constantie van de bewuste toestand gedurende de dag (het waakbewustzijn).
(d2) De - schijnbaar - inherente samenhang van de inhouden van de bewuste ervaring (het Binding problem).
(d3) De hoge organisatiegraad van complexe inhouden van het bewustzijn (het Upshot problem).
(d4) De zelf-reflexiviteit die mogelijkerwijs tot oneindige recursie kan leiden (het Homunculus problem).

e. Illusie vanuit weerspiegeling.


Het volgende idee is dat uit de 'spiegel-effecten' in het brein op een bepaalde manier het bewustzijn - of beter gezegd: de 'illusie van bewustzijn' - zou ontstaan. Het bewustzijn zou bestaan in de vorm van een mentale constructie, een soort virtuele realiteit. Deze zou continu, min of meer autonoom en 'automatisch' tot stand komen als een bij-effect (epifenomeen) van de snelle combinatie, wisselwerking of 'opstapeling' van weerspiegelingen die binnen het psychische proces worden voortgebracht.
Dit zou gebeuren via een reeks stappen van toenemende mate van subjectiviteit, abstractie en complexiteit. Uiteindelijk zou dan bewustzijn ontstaan vanuit de meest geavanceerde vormen van mentale representatie. Hierin zouden 'hogere' psychische functies dus cruciaal zijn, met name:
(e1)

Een bewust zelf-besef.


De ontwikkeling van een bewust idee van een eigen 'ik', zelf of identiteit, het besef dat men iemand is. Het is dus een - bewust - besef in de trant van 'ik besta', of 'ik ben iemand'.
Dit bewuste zelf-besef ontstaat mede op basis van bewustwording van het eerder genoemde zelfbeeld (zie a5). Maar dit zelfbeeld kan in subjectieve informatieverwerking in principe prima gehanteerd worden zonder enig spoor van bewuste ervaring. Het 'extra ingrediŽnt' bij bewust zelf-besef is uiteraard subjectief bewustzijn.
(e2)

Een zelf-reflexief bewustzijnsbesef.


Het vermogen om bewust te weten dŗt men ergens een bewust besef van heeft. We kunnen immers binnen ons bewustzijn rechtstreeks gadeslaan wat we zelf op dat moment zoal bewust denken en voelen. En vervolgens kunnen we beseffen dat we deze bewust gadeslaan. Dit is een - bewust - besef in de trant van 'ik ben bij bewustzijn'.
Het bewustzijnsbesef zal dus gebruik maken van bewuste versies van bijvoorbeeld introspectie (zie a2), zelf-reflexieve cognitie (zie a3), zelf-reflexieve herkenning (zie a4), en zelfreflectie (zie a7). Maar ook deze vermogens kunnen in subjectieve informatieverwerking uitstekend toegepast worden zonder een fractie van bewustzijn. Dus ook voor bewustzijnsbesef is het 'extra ingrediŽnt' subjectief bewustzijn.

Het zijn dit soort bewuste gewaarwordingen van 'hogere' orde waardoor we ons vragen stellen als: 'waarom besta ik?', en: 'hoe komt het dat ik bewustzijn heb?'. Bij uitstek de aanleiding dus voor pogingen om dat bewustzijn te verklaren ..

f. Opvallende versnippering.


De bovengenoemde eigenschappen zijn direct subjectief vast te stellen, maar ze staan in schril contrast met bevindingen uit neurofysiologisch en functiepsychologisch onderzoek. Daaruit blijkt immers dat gegevens in de hersenen op een heel gespreide manier verwerkt worden.

(1)

Vergaande taakverdeling (modulariteit).


Op het niveau van het fysische zenuwstelsel is het brein anatomisch georganiseerd in clusters, netwerken en circuits van neuronen. Op hoger schaalniveau zijn deze georganiseerd in kernen, organen en vezels. Het blijkt nu mogelijk om onderdelen of aspecten van menselijk functioneren te herleiden tot 'gespecialiseerde' elementen en processen van het zenuwstelsel. Uit deze bevindingen blijkt dat in de hersenen een enorme splitsing, fragmentatie en spreiding van taken plaatsvindt (modulariteit).
Tot op zekere hoogte blijkt dat de 'locale' activatie van 'vaste' gespecialiseerde neuronale eenheden zorgt voor ordeningspatronen die als 'informatie' kunnen worden beschouwd. De localisatie van functies op 'macroniveau' naar neuronale processen op 'microniveau' is echter maar in beperkte mate gelukt. En eenmaal gelocaliseerd blijken psychische functies zich vrij gemakkelijk te verplaatsen, bijvoorbeeld na letsel. Het lijkt er dus op dat de informatie-eenheden in de hersenen niet altijd vast verankerd liggen op bepaalde locaties.

Op het functionele niveau blijken in het zenuwstelsel echter heel andere organisatieprincipes te gelden. Hier lijkt juist een complex samenspel van actieve neuronen te leiden tot het ontstaan van informatie.
In het actieve brein vindt voortdurend een intensief verkeer plaats tussen signalen-zendende en ontvangende zenuwcellen. De actieve zenuwscellen geven hun signalen af in vuurpatronen met bepaalde frequenties die in grotere gehelen zorgen voor de electro-magnetische hersengolven. Waar de frequenties van hersengolven op een moment onderling sterk symmetrisch variŽren (dat wil zeggen, correleren), ontstaan samenvloeiingen en vervlechtingen van hersengolven (interferenties). Waar in de hersenactiviteit een hogere dichtheid ontstaat, hebben correlerende hersengolven een grotere kans dat zij de signaalkracht versterken en bekrachtigen. Zulke verdichtingen worden daarom 'attractors' genoemd: patronen waarnaar alle naburige patronen convergeren. Door die tijdelijke verdichtingen van elektrochemische hersenactiviteit wordt dus een heel selectieve versterking verfijning en verscherping neuronale signalen en interacties mogelijk (zie D.O. Hebb, 1949, 1980; Karl Pribram, 1971).
Op deze manier zijn snel wisselende configuraties van actieve neuronale circuits mogelijk in de hersenen. Het is denkbaar dat uit deze configuraties steeds opnieuw op een dynamische manier de ordeningspatronen van informatieverwerking worden gevormd. Dit zou betekenen dat onze subjectieve informatie verspreid wordt verwerkt door complexe interactie van steeds wisselende clusters van neuronen.
{Nb. ook genoemd 'agents', of 'multiple homuncili; volgens o.m. Marvin Minsky (1986)}.

De psychische inhouden zouden georganiseerd zijn in meervoudige versies of "multiple drafts" met betrekking tot de afgebeeldde gegevens (het Multiple Drafts model).
{Nb. Zie Daniel Dennett, 'Kinds of Minds' (1996). }
De meer complexe corticale c.q. cognitieve informatie zou bestaan uit 'hogere orde representaties' (higher-order representations, of HOR's; zie Flohr, 1991, 1992 and 1995a). Deze zouden worden gedragen door relatief omvangrijke, uitgestrekte en complex georganiseerde neuronen stelsels.

(2)

Dynamische localiteit van informatie.


Een consequentie is dat de processen van informatieverwerking, geheugentaken en intelligentie niet gebonden zijn aan specifieke vaste locaties in de hersenen. Ze vinden op dynamische wijze verspreid en simultaan plaats in ťťn enorm netwerk binnen het gehele zenuwstelsel.
Er is dus geen sprake van een centraal, vanuit een enkelvoudig 'ik' geregelde intelligentie, maar verspreide, of gedislocaliseerde intelligentie, waarbij talloze 'modulen' met elkaar communiceren, interacteren en concurreren.
{Zie ook: Non-linear systems theory, o.a. Brian Goodwin, 1995.}
In werkelijkheid zou in de hersenen sprake zijn van een verspreiding over tijd en ruimte van datgene wat waarneemt, om zo te zeggen een "spatial and temporal smearing of the observer's point of view" (Daniel Dennett).

(3)

Bewustzijn vanwege verspreide informatie in neuronale interacties.


Reductionisten als Marvin Minsky, Daniel Dennett, en Richard Dawkins duiden bewustzijn vanwege deze bevindingen als een 'samenspel van homunculi'.
"Er is geen observator .. er zijn alleen neurologische netwerken. Onze volledige wereld bestaat in de verbindingen tussen neuronen .. niets meer en niets minder" (Susan Blackmore, 1993; 1994).

We zien dus een onthutsende tegenstelling tussen de wijze waarop informatieverwerking op neurofysisch niveau georganiseerd is, en de klaarblijkelijke structuur van onze bewuste subjectief bewustzijn. We nemen meestal aan dat de subjectieve ervaring afgeleid is van de hersenprocessen, maar ze blijkt allerminst een evenredige afspiegeling daarvan. De hersenprocessen blijken een sterke verdeling en verspreiding, terwijl de subjectieve beleving een sterke robuustheid, samenhang en stabiliteit vertoont. Er lijkt hier dus sprake van een logische contradictie.

Daarbij komt dat de neurofysische patronen redelijk direct empirisch-analytisch te benaderen zijn, met allerlei meettechnieken. Observaties van hersenprocessen voldoen hierdoor aan de criteria van de kennistheorie en methodologie van het fysicalistisch-mathematisch standaard-wetenschappelijke paradigma.
Dit geldt veel minder, en op sommige punten helemaal niet, voor de 'subjectieve kenmerken' van bewustzijn. De bevindingen van het bewustzijn lijken dus wat betreft hun gronden veel zwakker te staan.
Als we dit onderschrijven dan moet volgens de logische regel van syntactische reductie, d.i. herleiding met volledig behoud van logische kracht, de zwakste tak van de redenering sneuvelen, en dat is in dit geval die met betrekking tot het bewustzijn.

De eerdergenoemde eigenschappen van het bewustzijn op het vlak van robuustheid, samenhang en stabiliteit zijn het lastigst 'hard' te maken en lijken daardoor aanvullende aanwijzingen en argumenten te bieden voor het illusie-karakter van het bewustzijn. Ze leiden in deze gedachtegang dus - schijnbaar paradoxaal - tot verzwakking van de realiteitsstatus van bewustzijn. Blijft staan echter het probleem, dat ze inter-subjectief heel algemeen en consistent als reŽel worden ervaren.

g. Illusie vanuit idealisering.


Het illusiemodel biedt een verklaring voor de discrepantie tussen enerzijds fragmentatie van hersenprocessen en anderzijds coherentie van subjectieve ervaring. De redenering is hierbij als volgt: het principe van 'completeren' van percepties zoals beschreven met de Gestaltwetten, kan ook voor het bewustzijn gelden, dat wil zeggen, voor de subjectieve gewaarwording van bewustzijn.
De opbouw van onze subjectieve perceptie gebeurt in deze visie op neurofysiologisch niveau in eerste instantie gefragmenteerd en verspreid in onnoemelijk veel informatieve eenheden, 'modules' of agents, wat we 'gedislocaliseerde intelligentie' noemen. De vraag is dus: hoe ontstaat dan - bijvoorbeeld - de gewaarwording van heelheid en robuustheid die zo kenmerkend is voor de subjectieve ervaring van bewustzijn?
Misschien zijn hierbij wel processen en mechanismen in het brein werkzaam die een vergelijkbare functie vervullen als de zgn. Gestalt-principes: het continu, actief en creatief 'heel maken' 'afronden' of 'compleet maken' van de bewuste ervaring door ad hoc, als het ware 'kunstmatig' en 'improviserend', de ontbrekende verbindingen te leggen tussen de verspreide informatieve eenheden, zodanig dat daaruit een voldoende samenhangende en stabiele Bubble of Perception ontstaat en in stand kan worden gehouden gedurende het waakbewustzijn (of bewuste droomepisoden).

(1)

Bronnen voor het 'bewustzijnsschema'.


Volgende vraag is of het brein daarvoor, analoog aan de Gestalt-principes, bepaalde basispatronen, sleutelpatronen, of cognitieve schemata gebruikt - en vooral ook: waar het deze vandaan heeft. Is het nu zo dat het brein een soortgelijke hoeveelheid gestapelde waarnemingen (cq steekproeven) heeft van voorbeelden van 'bewustzijn-achtige' vormen?
Welnu, we komen deze in iedere geval niet kant en klaar tegen in de empirie, via directe zintuiglijke waarneming.
Zie hiervoor de memen-theorie; waaruit de collectieve mythe zou voortkomen, respectievelijk het intrapsychische concept van subjectief bewustzijn. Deze mythe resp. dat concept zou dan dus fungeren als 'ideaalschema' voor ons brein, om een 'afgeronde' bewuste perceptie te genereren.

(2)

Functie van het 'bewustzijnsschema'.


Ander probleem is, als we de vergelijking met de Gestalt-principes blijven volgen, dat het volstrekt duidelijk is welke functie deze hebben - het bevorderen van snelle herkenning op basis van statistische waarschijnlijkheid, om sneller tot optimale reacties te komen - terwijl dat in het geval van een verondersteld 'bewustzijnsschema' volkomen afwezig is. Immers - we zullen dit verderop nog bespreken - het is op geen enkele manier in te zien hoe alle psychische processen niet even goed totaal zÚnder enig spoor van bewustzijn zouden kunnen plaatsvinden.
Dus dan is het net zo goed volstrekt overbodig dat er een mentale idealisering of stilering van gefragmenteerde neurofysische processen nodig zou zijn, als dit louter zou dienen om een 'illusie' van bewustzijn dan wel bewuste perceptie te creŽren, in een dermate coherente, stabiele en robuuste hoedanigheid als we haar kennen.

h. De waan van 'eigen belangrijkheid'.


Een bijkomende factor van misleiding zou liggen in het gevoel of idee van 'eigen belangrijkheid' ('Sense of self-importance') dat door het bedrieglijke zelf-concept zou worden bevorderd en bij mensen zou leiden tot het waanbeeld met iets speciaals begiftigd te zijn: het bewustzijn.
.. "Many of the riddles of consciousness fall into place in this view; in fact, the only casualty is our sense of self-importance .." (Owen Holland, 2002).

Conclusie.


Kern van de gedachtengang van het illusiemodel is: het hele idee, gevoel of ervaren van bewustzijn berust op een illusie. Of zoals Daniel Dennett (1991) het uitdrukt: "Het bewustzijn is niet wat het lijkt".

3. De illusie moet compleet zijn.



Om een verklaringsmodel van bewustzijn te beoordelen op haar houdbaarheid, is het in ieder geval nodig te weten wanneer dit al dan niet bevestigd of weerlegd wordt. In het geval van het 'illusiemodel' is van belang voor ogen te houden dat dit categorisch is: het heeft de claim dat het een volledige en afdoende verklaring van bewustzijn biedt. Dit betekent dat elke vorm van bewustzijn in de gebruikelijke betekenis volgens dit model uitsluitend en volledig als 'illusie' dient te worden aangemerkt. Het model laat dan ook geen enkele ruimte voor ook maar enige vorm van werkelijk bewustzijn. Het is absoluut, categorisch en radicaal eleminitavistisch ten aanzien van 'echt' bewustzijn.

Het 'illusiemodel' brengt dus een claim te berde die buitengewoon sterk is. Een dergelijke claim heeft cruciale consequenties voor de toetsing van het model op validiteit: zowel empirisch als logisch.
Bewijs voor een 'beetje' illusie is in dit geval duidelijk niet voldoende om de verklaring rond te krijgen. Een niet-volledige illusie van bewustzijn impliceert immers hoe dan ook nog steeds het bestaan van enige vorm van echt bewustzijn in welke mate ook. Kortom, als mocht blijken dat ook maar de geringste hoeveelheid van 'echt' bewustzijn kan bestaan, ook al zou het maar een spoor of een fractie omvatten, hoe miniem ook, dan weerlegt dat onvermijdelijk het model volledig.

Daarnaast betekent de claim in logische termen, dat het ontbreken van een volledige weerlegging zeker niet voldoende is als bewijs van validiteit. Anders gezegd, het model mag logisch niet alleen geen contradictie impliceren, maar ook geen enkele mate van onbeslistheid, of contingentie, in stand houden. In tegendeel, het is enkel als hypothese te handhaven - inclusief haar claims - als kan worden aangetoond dat het Ťlke contra-indicatie uitsluit op de hoofdlijn van haar logische redeneervorm.

Conclusie.


Een model dat een verschijnsel als bewustzijn categorisch definieert als illusie, en daarmee buiten de realiteit plaatst, moet aan hoge eisen voldoen wil het acceptabel zijn. Het model mag geen ruimte laten voor uitzonderingen op haar centrale stellingen. In het bijzonder mag het geen 'zwakke schakels' bevatten die twijfel laten (d.i. disjuncte mogelijkheden) over de verbindingen tussen elementen in het model.

4. Zwakke schakels in de keten.



De verklaring die het illusiemodel biedt blijft zoals het bovenstaande laat zien beperkt tot een hypothese over de werking, de dynamiek van het voorafgaande, causale proces waardoor bewustzijn teweeg zou worden gebracht. De uitkomst van dat proces zou dan nog steeds het gewone, alledaagse bewustzijn zijn. Met dien verstande dat dit geen 'echt' bewustzijn is maar een illusie. Dat wil zeggen, er ontstaat geen echt bewustzijn maar alleen een bewuste perceptie, waaronder een perceptie van bewustzijn, die misplaatst is of in ieder geval misleidend.
Het illusiemodel levert dus een verklaring die op causale determinatie/attributie berust.
{Nb. Voor een algemene bespreking van dit type verklaring, de causale neuro-reducties; zie de zeer beknopte samenvatting: 'Is reductie van bewustzijn haalbaar?' ; hoofdstuk 5, Toetsing van de reducties; par. 1, Neuro-reductie. }

Samengevat:

Subjectieve informatie [1]
  + (causale factor/bewerking X)
  (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

Meer in het bijzonder:

Subjectieve informatie [1]
  + (causale factor/bewerking X = informatie [2] = {complexiteit, zelfreflexiviteit, enz.})
  (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

De echte vraag is of deze verklaring enig hout snijdt. Hebben we hiermee een aannemelijke verklaring van bewustzijn?
Om dit te beoordelen kunnen we eerst naar de stappen in de opbouw van dit model kijken. We zien dan een aantal schakels die ernstige twijfels oproepen.

4.1. Representatie, reflexiviteit, complexiteit: structuurkenmerken van informatie.



Er zijn in onze psychische processen ontegenzeggelijk allerlei vormen van informatieverwerking mogelijk waaronder representatie, reflexiviteit en zelf-reflexiviteit (zie 2, parafgraaf a). Is het nu zo dat deze processen of capaciteiten verband kunnen houden met het ontstaan van een illusie van bewustzijn? Hieronder zullen we eerst enkele relevante feiten opmerken ten aanzien van deze mogelijke relatie.

(1)

Representatie is inherent aan alle informatie.


We kunnen ervan uitgaan dat elk van de genoemde processen en capaciteiten gebaseerd is op de vorming van min of meer abstracte representaties, oftewel ordeningspatronen die verwijzen naar bepaalde objecten of althans subjectieve ervaringsinhouden. Deze patronen zullen naar alle waarschijnlijkheid afgeleid zijn van ordeningstoestanden op neuro-fysisch niveau. De laatste zullen het resultaat zijn van de 'gewone' neuro-fysiologische processen in de hersenen.
Van dit soort patronen en processen van fysische aard zijn er uiteraard op elk moment onnoemelijk veel in ons lichaam. Slechts een minuscule fractie daarvan heeft op bepaalde momenten te maken met onze bewuste beleving. Dus deze representerende informatie is veel te algemeen aanwezig als conditie om voor een bewustzijnsverklaring voldoende te zijn.
{Nb. Zie de bespreking van kenmerken van het type 'reflexieve' informatie: Dimensies van informatie: gegevens van verschillende bronnen en niveau's. Met name hoofdstuk 3, Vier hoofdklassen van informatiek klasse (I) de klasse van Fysische ordeningstoestanden, of incidentele patronen.
Overigens: Dennett en geestverwanten maken dit onderscheid niet, met name niet met fysische patronen. }

(2)

Complexiteit is niet voldoende voor bewustzijn.


De neuro-fysische patronen die met bewustzijn verband houden kunnen ongetwijfeld behoorlijk ingewikkeld in elkaar steken, soms in ontzagwekkende mate, althans naar maatstaven van het menselijke begripsvermogen.
Complexiteit van 'astronomische' proporties is echter inherent aan het gehele zenuwstelsel - van mensen, maar ook van veel diersoorten. Het is daarbij niet aannemelijk dat overal waar informatie complex wordt, bewustzijn ontstaat of aanwezig is. Dus ook complexiteit van informatie is nog veel te algemeen aanwezig en zeker net zo min voldoende voorwaarde voor het ontstaan van bewustzijn.

(3)

Reflexiviteit valt onder complexiteit van informatie.


Het is ook duidelijk dat het zenuwstelsel op alle fronten werkt met reflexiviteit in informatieverwerking.
In ieder geval lijkt reflexiviteit in informatieverwerking vooral een kwestie van bepaalde variaties en gradaties van complexiteit. Vergelijk deze bijvoorbeeld met recursieve algoritmen en procedures in computerprogramma's. Dit soort complexiteit is louter combinatorisch van aard. Ze is daardoor altijd binair te representeren.
{Nb. Vergelijk de Church-Turing these: elke uitvoerbare berekening kan worden uitgevoerd door een algoritme werkzaam op een seriŽle, digitale computer, zolang voldoende tijd en opslagruimte beschikbaar zijn.
Zie ook: Beperkingen van Formele Systemen: de grenzen die de logica aan zichzelf erkent. Met name hoofdstuk 5. De beperkte mechaniceerbaarheid van wiskundige operaties. }

De mate van complexiteit van deze soort informatie is dan ook een louter kwantitatieve eigenschap. Ze blijft een kwestie van syntax die hoogstens reikt tot het domein van abstract-patroon informatie. Dat is een heel algemene categorie van informatie.
{Nb. Zie de bespreking van unieke kenmerken van het type 'abstract-patroon' informatie: Dimensies van informatie: gegevens van verschillende bronnen en niveau's. Met name hoofdstuk 3, Vier hoofdklassen van informatiek klasse (II) de klasse van Typen van ordeningstoestanden, of abstracte patronen.
Overigens: Dennett en geestverwanten maken dit onderscheid niet, met name niet met fysische patronen. }

(4)

Reflexiviteit, evenals informatiecomplexiteit, voorspelt niet per se bewuste beleving.


Stel dat we aannemen dat de genoemde aspecten van informatieverwerking niettemin, op de een of andere manier in een bepaalde combinatie, leiden tot het ontstaan van de bewustzijnservaring - die op illusie berust. De bewustzijnsverklaring komt daarmee volledig te rusten op abstract patroon-informatie als bron of oorzaak van de bewustzijnservaring.
Deze grondslag heeft verstrekkende consequenties voor de reikwijdte - en vooral beperkingen - van het model.

(4.1)

Kern blijkt functionalistische reductie.


De 'illusionistische' reductie van bewustzijn blijkt in dat geval te reduceren tot gewoon een variant van functionalistische reductie. Dit betekent dat het illusiemodel, om gevalideerd te worden, in ieder geval moet voldoen aan de meest elementaire voorwaarden voor een succesvolle functionalistische reductie van bewustzijn.

(4.2)

Niet voldoende voor aanwezigheid van bewustzijn.


Geen van de genoemde processen, functies en capaciteiten van informatieverwerking - hoe complex en 'geavanceerd' ook - reikt verder dan het niveau van abstract-patroon informatie. Geen ervan vereist per se een vermogen tot bewustzijn. Elk ervan kan heel goed actief aanwezig zijn of plaatsvinden op onbewust, subliminaal niveau, zonder dat enige vorm van bewustzijn ontstaat (echt of illusie).

(4.3)

Geen verklaring voor de unieke kenmerken van bewustzijn.


Een succesvolle functionalistische reductie vereist met name een verklaring van de unieke kenmerken van bewustzijn uit bepaalde intrinsieke kenmerken van informatie (of informatieverwerking).
Met abstract-patroon informatie hebben we in het algemeen nog zeker niet per se informatie die door de betrokken persoon subjectief bemerkt wordt en enige betekenis heeft. Dat wil zeggen, we hebben dan nog geen inhoudelijke informatie, die voor een individu subjectief als een gewaarwording, perceptie of gedachte zou kunnen dienen. En dus ook nog geen aspect van subjectieve ervaring waaraan een bepaalde (uiteraard subjectieve) belevingskwaliteit verbonden is.
Juist die belevingskwaliteit behoort tot de typische - sterker: unieke - kenmerken van bewustzijn. We vinden het niet voor niets een absurd idee dat computers of andere 'dode' machines, of programma's, algoritmes en andere abstracte patronen, zulk soort subjectieve beleving zouden hebben - hoe complex die ook mogen zijn.

Het zijn echter juist dit soort unieke kenmerken van bewustzijn, die het illusiemodel in ieder geval zou moeten kunnen verklaren. Daar is echter geen sprake van.
{Nb. Voor een bondig overzicht zie: Kenmerken van Subjectief Bewustzijn. Met name klasse (II) Unieke kenmerken van bewustzijn.
Voor een algemene bespreking van dit type verklaring, de informatie-reducties; zie de zeer beknopte samenvatting: 'Is reductie van bewustzijn haalbaar?' ; hoofdstuk 5, Toetsing van de reducties; par. 2, Informatie-reductie. }

We zien dus dat in het proces waarmee de bewuste ervaring tot stand komt een aantal 'lagen' en 'inbeddingen' te onderscheiden zijn, elk gebonden aan een bijbehorend domein in de werkelijkheid.
Samengevat in een eenvoudig schema: zie: Dimensies en Factoren van Subjectief bewustzijn.

Eigenschappen zoals representatie, reflexiviteit en complexiteit, zijn volgens het 'illusiemodel' onderdeel van het proces waarmee bewustzijn-als-illusie ontstaat, dan wel van de psychische functie of het mechanisme dat hiervoor verantwoordelijk is.
Dit proces wordt echter, met name wat betreft de functies en mechanismen die het dragen, in het model primair beschreven in termen van kenmerken van informatieverwerking. Daaruit blijkt dat het model in de grond een functionalistische reductie van bewustzijn beoogt. Het model zou dan ook moeten voldoen aan de meest elementaire voorwaarden voor een succesvolle functionalistische reductie van bewustzijn.

Al met al is er nog geen navolgbaar verband aangegeven tussen (a) kenmerken van informatieverwerking en (b) de menselijke subjectieve ervaring van bewustzijn. De vereiste voorwaarden blijken bij gedegen analyse nog niet vervuld te worden - en goeddeels zelfs onvervulbaar. Dus dat maakt het illusiemodel nagenoeg overtollig en zonder toegevoegde waarde.

4.2. Ontstaan van bewustzijn ligt in het proces, niet in eindresultaat.



Nu is er natuurlijk een elementair verschil tussen een proces, functie of mechanisme en het resultaat of product dat dit proces, deze functie of dit mechanisme oplevert. We kunnen natuurlijk bedenken dat de eigenschappen - en beperkingen - van een proces, functie of mechanisme niet allemaal per se hoeven op te gaan voor het eindproduct dat ermee wordt gerealiseerd. Dit is dus een belangrijke nuancering.

Deze invalshoek brengt echter ook complicaties en problemen met zich mee.
(1)

Overgangsfase en cruciale schakel blijven onduidelijk.


In dit geval verlegt het onderscheid proces-versus-product enkel de vraag naar de precieze plaats, het omslagpunt of de cruciale schakel in dat proces waarmee het eindproduct, de illusie van bewustzijn, zou ontstaan. Voor die overgangsfase biedt het model echter geen enkele aanwijzing.
Deze omissie wordt in het model wel wat verdoezeld met de stelling dat de processen en inhouden van bewustzijn in sterke mate verspreid en gefragmenteerd zijn in de hersenen. (Zoals hierboven besproken). Maar dat lost van de onduidelijkheid natuurlijk helemaal niets op, en nog minder van de enorme inhoudelijke lacune in de veronderstelde causale keten.
(2)

Geen verklaring van alle inherente eigenschappen.


Daarnaast moeten in ieder geval toch alle inherente eigenschappen van het eindproduct gevormd worden, in alle omstandigheden, door hetzelfde causale proces waardoor het gehele product teweeg wordt gebracht - of althans, door het proces waarvan beweerd wordt dat ze het eindproduct verklaart.
Hiervoor levert het model weliswaar hier en daar wat suggesties, maar deze blijven allemaal vaag en speculatief - zoals verderop in deze tekst duidelijk zal worden.
(3)

Geen verklaring van alle unieke kenmerken.


Het betreffende generatieve proces zal bovendien elk uniek kenmerk van bewuste subjectieve ervaring moeten kunnen produceren, tenminste in sommige omstandigheden.
Hiervoor biedt het model geen enkele vingerwijzing.
(4)

Verder blijven dezelfde bezwaren.


Vervolgens blijven voor het ontstaansproces zoals het in het illusiemodel gesuggereerd wordt, alle beperkingen gelden die hiervoor onder (3.1) zijn genoemd.

Het model raakt op deze punten niet of nauwelijks het probleem waarvoor het zegt een verklaring te leveren.
{Nb. Zie het overzicht van unieke kenmerken van bewustzijn. Kenmerken van Subjectief Bewustzijn. Met name klasse (II) Unieke kenmerken van bewustzijn. }

4.3. Subjectieve informatie impliceert niet per se totale illusie.



Naast structuurkenmerken heeft informatie uiteraard een bepaalde 'inhoud' of 'substantie'. Het is dan interessant om te kijken of de illusie van bewustzijn misschien geheel gelegen is in de inhoud van onze informatieverwerking.
Het is duidelijk dat alle informatie die door mensen, maar ook dieren, planten of machines verwerkt wordt, logischerwijs primair 'subject-bepaald' is. Met andere woorden, ze is noodzakelijk en inherent subjectief van aard. 'Menselijke' informatie is dus altijd per definitie subjectieve informatie, andere informatie kennen we niet of hoogstens hypothetisch.
Vervolgens is duidelijk dat de werkelijkheid welhaast oneindig veelomvattend, complex en grillig is, terwijl onze vermogens tot waarnemen, begrijpen en kennen naar verhouding uiterst beperkt en feilbaar zijn. Menselijke 'kennis' over de werkelijkheid is dan ook altijd subjectief, relatief, onvolledig, en in zekere mate onnauwkeurig, willekeurig en partijdig.

Hierdoor is ook elk proces van menselijke oordeelsvorming noodzakelijk beperkt en feilbaar, en zal het dus uitkomsten opleveren die niet perfect zijn. De vraag is nu of deze beperkte en feilbare aard van subjectieve informatie de bron kan zijn van de veronderstelde illusie van bewustzijnservaring.

Deze feilbaarheid is een zeer algemeen kenmerk van door mensen gekende gegevens.
(1)

Enig objectief gehalte is mogelijk.


We weten echter ook dat subjectieve informatie ťnige voorspellende waarde kan hebben voor de empirische werkelijkheid. Dat wil zeggen, onze ervaring leert met enige regelmaat dat onze informatie althans soms op zijn minst mťťr dan het pure toeval blijkt te voorspellen (better-than-random). Blijkbaar kan deze informatie wel degelijk een redelijke mate van betrouwbaarheid en voorspellende kracht hebben. En dus kan onze subjectieve ervaring - kennelijk - informatie bevatten die iets zinnigs 'zegt' over een gebied in de realiteit, en dus enigszins 'object-bepaald' is. Dit betekent dat subjectieve informatie althans enig gehalte aan objectieve informatie kan impliceren.

(2)

Enig objectief gehalte is inherent.


Sterker nog, we weten ook dat wanneer informatie uitsluitend door het toeval bepaald zou worden, ze volledig uit chaotische 'ruis' zou bestaan, en daardoor geen enkel onderscheid of verschil zou weergeven. Ze zou dan nergens naar verwijzen, en in dat geval ook totaal geen betekenis bevatten oftewel helemaal geen informatie zijn. Anders gezegd, wil iets voor 'informatie' doorgaan dan moet het enig verschil weergeven of aanwijzen binnen onze subjectieve perceptie. Door middel van dat verschil weerspiegelt het iets van enig aspect van een gebied in de werkelijkheid zoals wij die kennen.

De consequentie is dat informatie, hoe subjectief ze ook is, even goed noodzakelijk en inherent verbonden is aan objectiviteit, hoe minimaal ook. Anders gezegd, informatie is altijd 'minstens-marginaal' objectief.
{Nb. Zie voor de grondslagen van een pragmatische kennistheorie: Principes van 'Modelvorming': de mogelijkheden van kennis, informatie en logica. }

Dit geldt zonder twijfel - en bij uitstek - voor de (subjectieve) informatie die binnen ons brein omgaat in zelf-reflexieve informatieverwerking: want anders zou ze niets van wat dan ook kunnen reflecteren of op welke manier ook representeren.
Uit het feit dat alle informatieverwerking feilbaar is, volgt dus niet dat elk idee of concept totaal op fictie berust. Onze cognitieve constructen zijn dus niet altijd volstrekt 'foutief', en zeker niet zodanig dat ze louter bestaan uit 'illusies'. Dus dan hebben we ook in zelf-reflexieve informatieverwerking niet louter informatie die noodzakelijk en volledig als drogbeeld, fictie of illusie is aan aan te merken. Evenmin volgt dat elke perceptie van bewustzijn louter illusie is.

4.4. Bewuste modus van informatie vereist vermogen tot bewustzijn.



Er is echter ook een belangrijk onderscheid tussen de specifieke inhoud van informatie en de toestand of modus waarin die informatie verkeert. Binnen het zenuwstelsel zal subjectieve informatie voor verreweg het grootste deel onbewust zijn (voorbewust, onderbewust, subliminaal). Maar een deel van die informatie kan ook, via een bepaalde selectie, de 'drempel van bewustzijn' overstijgen. Aan de ervaringsinhoud wordt dan subjectief bewustzijn als het ware 'toegevoegd'. Met als gevolg dat deze inhoud bewust wordt, anders gezegd, transformeert tot bewuste perceptie.
Samengevat:

1. Subjectieve informatie * selectie   drempeloverschrijding;   + subjectief bewustzijn.
2. Subjectieve informatie + subjectief bewustzijn   bewuste perceptie.

We kunnen vaststellen dat dit gewoonlijk gedurende het gewone waakbewustzijn continu het geval is, en verder tijdens de slaap in droomepisodes.
Er bestaat dus een bewuste toestand van subjectieve ervaring, oftewel een bewuste modus. Die impliceert dat een bepaald deel van de subjectieve beleving op dat moment een 'bewust gehalte' heeft.
Samengevat:

Subjectieve informatie + bewuste modus   bewuste perceptie.

Dit is in ieder geval een zinvol onderscheid. Het is immers niet erg voor de hand liggend om bewustzijn als een zelfstandig object te beschouwen, dat los valt te zien van psychische inhouden. In plaats daarvan kunnen we beter uitgaan van een eigenschap van een object, met name van bepaalde subjectieve informatie, wellicht zelfs van bepaalde neurofysiologische substanties, processen of aspecten. De bewuste modus is dus niet meer dan een andere benaming voor de eigenschap 'in bewuste toestand zijn', ze verwijst als predicaat naar de toestand of 'aanwezigheid' van bewustzijn als eigenschap van een object.
Maar levert dit onderscheid enige toegevoegde waarde voor het illusiemodel?

Wil het onderscheid tussen ervaringsinhoud en bewuste modus ons verder brengen met het illusiemodel, dan moet het substantieel zijn.

Verschillen tussen ervaringsinhoud en bewuste modus

.
Er blijken zeker een aantal aanmerkelijke verschillen aan te wijzen tussen de bewuste modus en de ervaring waarop ze betrekking heeft.

(1)

Intrinsiek versus extrinsiek.


De specifieke inhoud van bepaalde informatie omvat datgene wat haar tot representatie maakt, zoals samenstelling, opbouw, strekking. Die eigenschappen maken de informatie eenvoudig tot informatie. En zonder deze eigenschappen valt niets te onderscheiden dus is er geen informatie. Het zijn dus voldoende, maar ook noodzakelijke voorwaarden voor informatie. Ze veranderen niet door het simpele feit dat ze in bewuste of onbewuste toestand verkeren. Dit geldt als eerste voor de inhoudelijke eigenschappen, zoals samenstelling - er gaan geen gegevens vanaf, er komen geen gegevens bij - en strekking, thematiek, voorstelling van zaken en dergelijke. Het geldt ook voor de structuurkenmerken: zowel de syntactische kenmerken (opbouw, ordening, coherentie, complexiteit) als de semantische kenmerken (verwijzingsrelaties, informatiekwaliteit, logische kracht, voorspellende kracht, enz.).
Deze eigenschappen van representatie lijken dan ook in alle opzichten intrinsiek aan wat wij informatie noemen.

De toestand of modus waarin de informatie verkeert en die wij 'bewust' noemen, kan daarentegen afhankelijk zijn van omstandigheden oftewel situationele factoren zoals positie, setting of perspectief waarin ze, 'toevallig' of niet, gebracht is. Deze factoren lijken op het eerste gezicht extrinsiek aan een bepaalde hoeveelheid informatie.
Bovendien verleent de bewuste modus aan de betreffende psychische inhouden per definitie de typische eigenschappen van subjectief bewustzijn. Hieronder vallen de inherente kenmerken van bewustzijn die voor een groot deel terug te vinden zijn in de bovengenoemde algemene eigenschappen van informatie. Maar daarnaast zijn er de unieke kenmerken van bewustzijn zoals bewust besef, belevingskwaliteit, en qualia. Deze eigenschappen zijn bij uitstek kwalitatief van aard, en niet gebonden aan informatie in het algemeen. Sterker, ze staan als zodanig in schril contrast tot die 'formele', kenmerken die in de grond kwantitatief van aard zijn.
Het feit dat een kenmerk als belevingskwaliteit uniek is aan bewustzijn, betekent dat ze uitsluitend mogelijk is bij bewustzijn, en dat ze daardoor indicatief is voor bewustzijn - en voor niets anders. Zulke unieke kenmerken van bewustzijn zijn dus juist weer intrinsiek aan de bewuste modus en juist niet aan informatie als zodanig.
(Nb. Overigens niet te verwarren met inherent aan, oftewel noodzakelijk aanwezig bij bewustzijn).
Het verschil tussen intrinsiek en extrinsiek is uiteraard substantieel, om niet te zeggen essentieel.

(2)

Variabel versus stabiel.


En dat is niet de enige dimensie waarop het onderscheid als substantieel voorkomt. De inhoud van subjectieve ervaring wordt bepaald door continu wisselende en fluctuerende activatie van psychische inhouden, in complexe wisselwerking met talrijke interne en externe processen die voortdurend veranderen. Ze is dan ook meestal bijzonder variabel. Bovendien wisselt ook voortdurend het deel van de subjectieve inhoud dat in bewuste modus verkeert.
De bewuste modus daarentegen is op zichzelf in het algemeen, naar verhouding, buitengewoon stabiel, als ze eenmaal in het brein aanwezig is - als we hiervoor althans een gewone, alledaagse toestand van waakbewustzijn in beschouwing nemen (zie eerder onder hoofdstuk

2

, onder

d

, (d1)).
Met andere woorden, enerzijds is er een subjectieve ervaring die constant fluctueert, onder invloed van fluctuatie van specifieke ongoing neurofysiologische processen. Anderzijds is er een bewuste modus 'waaronder' steeds wisselende ervaringsinhouden die de revue passeren, maar die zelf sterker door globale neurofysische factoren wordt bepaald en daardoor relatief stabiel is.
{Nb. Het gaat hier om een algemene vergelijking van bewuste ervaringsinhoud en bewuste modus. Tijdens altered states of consciousness zoals dromen, hypnotische trance, bedwelming onder invloed van drugs e.d., kan de bewuste modus natuurlijk een chaotischer en instabieler 'beeld' geven. Maar ook in die gevallen zal dit vaak voor de ervaringsinhoud nog sterker gelden. }

Informatieve inhoud is waarschijnlijk onafhankelijk van bewuste modus

.
Op grond van het voorgaande kunnen we aannemen dat het verschil tussen ervaringsinhoud en bewuste modus behoorlijk substantieel is.

Vervolgens kunnen we een stap verder gaan en voorlopig aannemen dat het bewustzijn louter bestaat als bewuste modus van subjectieve informatie, en dat deze op geen enkele wijze iets te maken heeft met een intrinsiek kenmerk van de ervaringsinhoud waar ze betrekking op heeft.
De bewuste toestand van subjectieve informatie is in deze optiek niet meer dan een exogene, incidentele en extrinsieke eigenschap van die informatie - te vergelijken met een soort 'belichting', 'kleuring', 'opmaak', 'saus' of 'verpakking' over de inhoud heen.
Met andere woorden, we hebben hier mogelijk te maken met een wezenlijk en cruciaal verschil.

Het voorgaande zou verstrekkende implicaties kunnen hebben voor het model van de causale keten waardoor bewustzijn ontstaat. Het zou kunnen betekenen dat de ervaringsinhoud als zodanig onafhankelijk is van haar bewuste modus, ondanks eventuele bewerkingen die voor die modus vereist zijn. Maar is dat wel zo?
Hieronder zullen we dit onderzoeken in het licht van een mogelijke verklaring van bewustzijn als illusie.

Verklaring van bewuste perceptie of van bewuste modus?

.
De hamvraag draait echter nog steeds om de verklaring van subjectief bewustzijn als illusie.

We kunnen nu proberen een vertaling te maken naar de 'logica' van het illusiemodel. Er is dan de logische mogelijkheid dat subjectieve informatie die zich 'in' ons bewustzijn bevindt als inhoudelijke representatie weliswaar enige objectiviteit kan bevatten, ten aanzien van een gebied van de realiteit, maar dat dit niet geldt - en dat betekent: totaal en absoluut nooit geldt - voor de toestand waarin die informatie verkeert, die wij - mogelijkerwijs abusievelijk - als 'bewust' aanmerken of ervaren.

Overeenkomsten tussen bewuste perceptie en bewuste modus

.
Als we het bewustzijn op de beschreven wijze opvatten als bewuste modus van subjectieve informatie, dan is de vraag of deze ook goed is af te bakenen van het resultaat ervan, de bewuste subjectieve beleving, oftewel bewuste perceptie.

Er blijkt echter een behoorlijk robuust verband te bestaan, om niet te zeggen een intense verwevenheid, tussen bewuste perceptie en bewuste modus van de subjectieve inhoud (van die perceptie).

(1)

Informatie voor en na introductie van bewuste modus.


De bewuste modus maakt natuurlijk wel verschil voor de inhoud waarop ze betrekking heeft: nl. dat ze vervolgens bewust ervaren wordt (of dat nu illusie is of niet). Het is dan ook reŽel te veronderstellen dat de bewuste modus daarbij wel ťnig gevolg heeft voor - effect heeft op - de betreffende ervaringsinhoud. Te denken valt aan een specifiek soort markering, labeling of 'etsing' van de betreffende inhoud. In dat geval zou de bewuste modus toch vereisen dat een zekere modificatie, of transformatie, van de inhoud plaatsvindt - hoe beperkt ook.
Deze modificatie verandert dan naar alle waarschijnlijkheid - gelet op het bovenstaande - niets wezenlijks aan het informatiegehalte van de bewuste ervaringsinhoud.
In hoeverre is op dit punt sprake van strijdigheid? Om dit te bepalen kunnen we een volgend onderscheid maken: tussen subjectieve informatie oftewel ervaringsinhoud vooraf aan de 'blootstelling' aan de bewuste modus, en die after the fact. Er bestaan dus twee versies van dezelfde informatie, die inhoudelijk vrijwel identiek zijn, maar waarvan de ene wel en de andere niet in bewuste toestand verkeert. Dat roept onmiddellijk de vraag op of de twee versies tegelijk naast elkaar bestaan in het zenuwstelsel, of dat ze elkaar opvolgen. De eerste mogelijkheid lijkt het minst waarschijnlijk omdat het brein niet zomaar kan woekeren met geheugenruimte om op zo'n systematische manier dubbele versies van dezelfde informatie te onderhouden. De tweede situatie is uiteraard overeenkomstig de wisselende 'blootstelling' aan bewustzijn, en mede daarom veel waarschijnlijker.

(2)

Bewuste modus is intrinsiek aan bewuste perceptie.


Bewuste perceptie vereist de bewuste modus van de betreffende subjectieve informatie. Er is dus geen bewuste perceptie zonder bewuste modus, d.i. zonder de eigenschap bewust-zijn (van die perceptie).
Maar er is ook geen bewuste modus (van een perceptie) met een leeg resultaat, dat wil zeggen, zonder een bewuste perceptie. De bewuste modus is dus inherent aan de bewuste perceptie.
Met andere woorden, tussen bewuste modus en bewuste perceptie geldt logische equivalentie.
{Nb. Logische equivalentie is een volledige wederzijdse verwijzingsrelatie, dus zwakker dan gelijkheid of identiteit, maar sterker dan een wederzijdse causale relatie of reciprociteit, omdat die partieel kan zijn en gemedieerd door allerlei laterale factoren en condities.
Zie bijv.:
(·) Causale analyse en statistiek. Over de betekenis van correlatie, regressie en significantie.
(·) Introductie 'Natuurlijke' logica. Los van formele logica toepasbaar.
(·) Introductie Formele logica. Voordelen van formalisering en varianten van logica.
}
Samengevat:

Bewuste perceptie - bewuste modus = {}; (Bewuste perceptie bewuste modus);
Bewuste modus - bewuste perceptie = {}; (Bewuste modus bewuste perceptie);
(Bewuste perceptie ≡ bewuste modus).

(3)

Bewuste modus blijkt inherent aan intense ervaringen.


Een andere invalshoek is de relatie tussen bewuste modus en 'belevingskwaliteit', waaronder de kracht of intensiteit van subjectieve ervaringen. Iedereen die kan terugzien op intense ervaringen in zijn leven, met name zogeheten levensgebeurtenissen - rond ziekte en gezondheid, afscheid en verbinding, geboorte en dood, en natuurlijke fysieke en psychische trauma's - die heeft deze vrijwel altijd bewust gehad, en herinnert zich dat deze intens verwikkeld en verweven waren met de betreffende ervaringsinhouden. Om het nog scherper te stellen, zonder een element van bewuste ondervinding spreken we meestal niet van ervaringen of belevenissen, dus evenmin van perceptie; maar simpel van gebeurtenissen, feiten of omstandigheden, die An Sich realiteit waren en die we allereerst fysiek hebben ondergaan of doorstaan.
Met zulke intense ervaringen is het bovendien lastig vol te houden dat bewuste ervaring louter op illusie berust. (Zie later:

7.1.

Concept-van-bewustzijn als bron: heeft het effect? punt (a2)).
Samengevat:

Bewuste beleving - bewuste modus = {}; (Bewuste beleving bewuste modus).


Uit de bovengenoemde overeenkomsten volgen twee consequenties:
(a)

Verklaring van alle inherente kenmerken.


De bewuste modus van ervaring moet in ieder geval alle inherente kenmerken met zich mee brengen die bewuste ervaring, vanwege de eigenschap subjectief bewustzijn, op elk moment heeft.
(b)

Verklaring van elk uniek kenmerk.


De bewuste modus van ervaring moet bovendien in principe elk uniek kenmerk met zich mee kunnen brengen die bewuste ervaring, vanwege de eigenschap subjectief bewustzijn, op een bepaald moment kan hebben.

Dit betekent voor de verklaring van bewustzijn het volgende.
(1)

Verklaring van bewustzijn is preconditie voor verklaring van bewuste modus.


Dus een verklaring van een bewuste modus van perceptie moet aan alle vereisten voldoen die gelden voor een verklaring van subjectief bewustzijn. Met andere woorden, een verklaring van een bewuste modus van perceptie is afhankelijk van een verklaring van subjectief bewustzijn.
(2)

Verklaring van bewustzijn als illusie is preconditie voor verklaring van bewuste modus als illusie.


Bovendien, als bewuste perceptie enkel illusie is, dan ook bewuste modus van die percepties. Dus als we willen aantonen dat het eerste geldt, dan moeten we dat ook doen voor het tweede. Anders gezegd, een verklaring van een bewuste modus als illusie is afhankelijk van een verklaring van subjectief bewustzijn als illusie.

Kortom, deze implicaties verleggen het probleem weer terug naar de verklaring van subjectief bewustzijn als illusie. Daarmee zijn we nog geen stap verder.

De causale rol van de bewuste modus in het ontstaan van de bewustzijnsillusie

.

Laten we ons toch aan een hypothetische reconstructie wagen van het causale proces waarmee de illusie van bewustzijn in relatie tot de bewuste modus zou kunnen ontstaan. Er zijn daarvoor weer diverse mogelijkheden:

(1)

Bewuste modus als eindresultaat.


Hierboven hebben we al vermeld dat de bewuste modus geen 'ding' is maar een eigenschap, met name het 'in bewuste toestand zijn' van psychische inhouden. Ze is dus eigenlijk een meer specifieke benaming voor het algemene begrip 'bewustzijn'. In die zin benoemt ze dus het eindresultaat van het causale proces waarmee bewustzijn, echt of illusie, ontstaat.
Als zodanig kan de bewuste modus zelf niet een rol spelen in de voorwaarden, oorzaken of causale schakels in dat proces. Dus dan kan ze zeker ook geen bron of causale factor vormen voor het ontstaan van de illusie van bewustzijn.
Samengevat:

Subjectieve informatie [1]
  + (causale factor/bewerking X1)   bewuste modus;
(bewuste modus subjectief bewustzijn);
  subjectieve informatie [1]
    + (causale factor/bewerking X1)   subjectief bewustzijn;   bewuste modus;
(subjectief bewustzijn = illusie);
(bewuste modus = illusie);
  (subjectieve informatie [1]   + (bewuste modus = illusie));
    (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

(2)

Bewuste modus als 'passieve' tussenschakel.


De bewuste modus zou misschien een reŽel bestaand tussenstadium kunnen vormen in de causale keten van het ontstaansproces van bewustzijn: een fase, een schakel of intermediŽrende variabele.

De eerste mogelijkheid is dat ze daarbij van zichzelf een min of meer passieve rol vervult: als spiegel, informatiedrager of doorgang, een soort 'doorgeefluik' als het ware, van de illusie.
We weten bijvoorbeeld dat het kenmerk van informatie is Multi-realizability: elke willekeurige hoeveelheid informatie kan als abstract patroon in principe in elk soort medium gecodeerd worden. Dit betekent dat het medium in wezen volkomen arbitrair is en altijd extrinsiek blijft in relatie tot de informatie.
{Nb. Zie de bespreking van unieke kenmerken van het type 'abstract-patroon' informatie: Dimensies van informatie: gegevens van verschillende bronnen en niveau's. Met name hoofdstuk 3, Vier hoofdklassen van informatiek klasse (II) de klasse van Typen van ordeningstoestanden, of abstracte patronen. }

Het zou dus kunnen dat de bewuste modus de drager vormt van bepaalde factoren van bewustzijn, zonder dat ze daar zelf invloed op heeft. Maar dan kan de bewuste modus zelf geen substantiŽle bijdrage leveren als causale factor in het onstaansproces van de illusie. Met andere woorden, het is goed mogelijk dat de bewuste modus geen essentiŽle rol speelt in het ontstaan van bewustzijn in-welke-zin-dan-ook.
Samengevat:

Subjectieve informatie [1]
  * (causale factor/bewerking X1)   subjectief bewustzijn;
(subjectief bewustzijn = illusie);
  (subjectieve informatie [1]   + (subjectief bewustzijn = illusie)   + (medium [2] = bewuste modus);
    (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

(3)

Bewuste modus als bron van de bewustzijnsillusie

.
We kunnen verder veronderstellen dat de illusie die wij naar verluid voor bewustzijn plegen te houden, niet in eerste instantie wordt opgeroepen door de 'onjuiste' inhoud van een hoeveelheid subjectieve informatie, maar pas wordt teweeggebracht door de bewuste modus van bepaalde subjectieve informatie.
Het is denkbaar dat de bewuste modus in dit proces een actieve rol kan vervullen, waarbij ze de informatie min of meer zelfstandig omvormt of uitbreidt met een tweede hoeveelheid informatie, die dan op zichzelf bedrieglijk van aard zou zijn. Deze informatie moet dan zodanig misleidend zijn dat ze de bewuste perceptie teweegbrengt, inclusief de illusie van bewustzijn.
Dit zou betekenen dat de bewuste perceptie primair ontstaat als effect van de - misleidende - bewuste modus van de subjectieve ervaringsinhoud als-zodanig.
Samengevat:

(Subjectieve informatie [1]
  * (causale factor/bewerking X1 = bewuste modus)   subjectieve informatie [2];
  (subjectieve informatie [2] = misleidend);
  (subjectieve informatie [1]   + (subjectieve informatie [2] = misleidend))
    (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

Dus: de bewuste modus is illusie, bevat illusie of produceert de illusie van bewustzijn - en een deel van de subjectieve ervaring wordt hierdoor misleid om te geloven dat 'echt' bewustzijn bestaat. Met andere woorden, de bewuste modus is de proximale factor die de aanwezigheid van bewustzijn veroorzaakt, wat in feite een illusie van bewustzijn is.

Nu zal die bewuste modus om bedrieglijk te kunnen zijn, in ieder geval zelf wel enige informatie moeten bevatten respectievelijk overbrengen aan de betreffende subjectieve ervaring. Informatie dus die een bedrieglijke inhoud heeft.
Dat komt goed uit want in het illusiemodel wordt ook niets anders dan informatie erkend, en in geen geval enige vorm van 'echt' bewustzijn. Het is dus zo dat de bewuste modus in dat geval niet anders is of behelst dan een hoeveelheid informatie.
Tegen deze voorstelling van zaken zijn echter twee bezwaren in te brengen.
(3.1) Zoals eerder betoogd kan informatie niets anders zijn of bevatten dan abstracte patronen van 'kale' syntactische aard. Dus daarmee kan de bewuste modus geen vorm van 'bewustzijn' bevatten of overbrengen, dat als zodanig kan worden ervaren - als echt of als illusie.
(3.2) Maar stel dat we het laatste bezwaar laten voor wat het is. Dat roept echter een volgende vraag op: Ūets veroorzaakt dan eerst de bewuste modus, illusie of niet. Maar wat? En hoe? We keren hiervoor terug naar het eerdere verhaal over de causale keten waardoor uit informatiepatronen bewustzijn als illusie zou ontstaan (zie par.

4.1

,

4.2

).

(4)

Subjectieve ervaring als bron van fictieve modus van bewustzijn.


We zeiden eerder al dat subjectieve informatie in ieder geval nooit volledig objectief is, in de zin van 'object-bepaald'. Ze is dus net zo goed altijd minstens-marginaal fictief.
Misschien ligt dus de subjectieve ervaring van bewustzijn simpelweg geheel binnen dat gebied van 'fictie', en ligt hierin de oorzaak dat ze illusie is.

Met andere woorden, de subjectieve perceptie van bewustzijn is in deze hypothese een illusie die als eerste volgt uit een foutief idee, of concept van bewustzijn. Dat concept ligt dan binnen de subjectieve ervaringsinhoud en voegt het essentiŽle ingrediŽnt toe aan de illusie van bewustzijn.
Samengevat:

(Subjectieve informatie [1] (subjectieve informatie [2] = misleidend));
  * (causale factor/bewerking X1) (bewuste modus = illusie);
    (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

De subjectieve ervaring kan bijvoorbeeld door een hoeveelheid informatie op een bepaalde manier misleid zijn om te geloven dat 'echt' bewustzijn bestaat, en hoe het is om dat te ervaren. Ze projecteert deze fictie vervolgens voortdurend als het ware onbewust 'van buitenaf' terug 'op zichzelf', althans op een deel van haar ervaringsinhoud. Dit is dan een dubbele projectie: extravers en daarna via reflectie exogeen. Het resultaat van deze projectie is dan wat we de bewuste modus noemen van de betreffende ervaringsinhoud. De bewuste modus is als gevolg hiervan illusie, ze bevat illusie van bewustzijn, of meer in overeenstemming met het illusiemodel, ze weerspiegelt illusie van bewustzijn die oorspronkelijk gelegen is in een bepaald deel van de aanwezige informatie.
Dit heeft als effect dat bewuste perceptie ontstaat, zoals we die kennen. En ten slotte vormt deze de grondslag van de subjectieve perceptie van bewustzijn.

(Subjectieve informatie [1] (subjectieve informatie [2] = ± misleidend));
  * (causale factor/bewerking X1 = extraverse projectie);
    (subjectieve informatie [2]' = ± misleidend);
  * (causale factor/bewerking X2 = zelfreflexiviteit);
  * (causale factor/bewerking X3 = endogene projectie)
    (subjectieve informatie [2]'' = misleidend);
    (bewuste modus = illusie);
    (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]).

We zien in deze schets dus drie causale factoren: twee projecties en zelfreflectiviteit. De zelfreflectiviteit is hier in feite gewone reflectie, en de beperkingen hiervan voor de causale veroorzaking van bewustzijn, hebben we hierboven al besproken. De twee projecties zijn in ieder geval verschillend in richting. Daarnaast is onduidelijk hoe ze zouden kunnen verschillen in hun causale werking of effect.
Projectie lijkt in de meeste gevallen toch vooral neer te komen op verplaatsing van informatie. De vraag is dan hoe simpele verplaatsing van gegevens kan bijdragen aan het ontstaan van bewustzijn. Dit blijft volkomen onduidelijk.
Het is natuurlijk denkbaar dat de informatie ergens op de route van projecties en reflecties bepaalde invloeden, bewerkingen en vervormingen ondergaat. Hierdoor kan een zodanige vertekening ontstaan, dat het resultaat in het laatste stadium dermate misleidend is dat het de illusie van bewustzijn teweeg kan brengen. Maar dan blijft wederom de vraag hoe inhoudelijke informatie, valide of fictie, een bijdrage kan leveren aan het causale ontstaansproces van bewustzijn, reŽel of illusie.
Kortom, ook deze benadering levert weinig op voor de bewustzijnsverklaring.

(5)

Ook 'onjuiste' bewustzijnservaring behoort tot ervaringsinhoud.


Wanneer de redeneerstappen van het voorgaande doortrekken zien we dat de subjectieve ervaring meerdere soorten informatie bevat, of althans toestanden waarin informatie zich kan bevinden.

(a) Allereerst is er het onderscheid tussen onbewuste en bewuste informatie.
(b) Daarnaast is er het onderscheid in informatie die wel of niet de bron of grondslag vormt voor het proces waarin de illusie van bewustzijn zal ontstaan.
Omdat bewustzijn voor zover we kunnen nagaan een universele eigenschap is, in ieder egval onder mensen, die in de dagelijkse waaktoestand ook vrijwel continu en behoorlijk stabiel aanwezig is, valt aan te nemen dat deze informatie aangeboren is of heel vroeg aangeleerd (het laatste kan alleen via een zeer wijdverbreid, en diepgeworteld 'omnicultureel' idee - zie verderop).
En omdat niet iedereen als vanzelf, 'van nature' of 'spontaan' besef heeft van de - naar we aannemen - bedrieglijke aard van deze informatie, zal ze in principe onbewust zijn.
(c) Vervolgens kunnen we informatie onderscheiden die wel of niet het resultaat of de weerslag vormt van het proces waardoor de illusie van bewustzijn is ontstaan. Omdat deze informatie dan direct verweven is met de illusie, of mogelijks zelfs geheel de perceptie uitmaakt die bewust van aard is, zal ze zelf eveneens bewust zijn. Hoewel natuurlijk ook hiervan niet iedereen notie heeft van het illusie-karakter.

Aannemelijk is dat de informatie die in deze visie cruciaal is in het ontstaan van de illusie van bewustzijn, daar zelf al bij voorbaat inhoudelijk een bijdrage aan levert, dus dat ze zelf geheel of gedeeltelijk 'onjuist' is. Misschien ligt daarin een doorslaggevende factor voor de vermeende illusie.
Perceptie van bewustzijn in welke zin ook, en bewuste modus vallen volgens deze visie dus in het illusiemodel met elkaar samen.

Deze hypothese zal verder worden uitgewerkt in hoofdstuk

6

, Aspecten van illusie en schijn.

(6)

Een bewuste modus zonder effect.


De volgende mogelijkheid is: de bewuste modus is illusie, bevat illusie of produceert de illusie van bewustzijn - maar dit wordt verder nergens geregistreerd, geobserveerd of ondervonden. Logisch ook, want er is dan geen 'echt' bewustzijn om iets, wat-dan-ook, gewaar te worden. Maar dan is er ook geen 'illusie' van bewustzijn om, op welke manier dan ook, gewaar te worden. Dus dan is de bewuste modus niet relevant, en evenmin de illusie.

Zie voor een uitwerking van deze gedachte hoofdstuk

8

, Het bewustzijn als 'onechte illusie'.

Wat kunnen we nu concluderen over de bewuste modus van informatie.
Ze blijkt scherp te onderscheiden van subjectieve informatie als zodanig. Ze kan daarom relevant zijn voor een verklaring van bewustzijn. Ze blijkt in feite samen te vallen met de eigenschap 'bewuste toestand'. Als zodanig blijkt ze dan ook niet duidelijk te scheiden van de bewuste perceptie. Bewuste modus en bewuste perceptie blijken zelfs logisch equivalent. De bewuste modus vereist (d.i. impliceert, vooronderstelt) hierdoor zelf eerst een vermogen tot bewustzijn.
Dit betekent dat de bewuste modus als onderscheiding niet iets substantieels toevoegt, in de zin van een cruciale causale factor of functie, voor de verklaring van bewustzijn. Daar verandert ook niets aan wanneer bewustzijn tot illusie moet worden gereduceerd.
Vraag blijft dus onveranderlijk wat bewustzijn produceert, en wat kan maken dat ze inderdaad illusie is - of juist niet.

4.5. Bewuste reflexiviteit: vereist eerst bewustzijn.



Er zijn vervolgens twee 'hogere' vormen van zelfreflexiviteit in het menselijk psychisch functioneren: die we genoemd hebben bewust zelf-besef en zelfreflexief bewustzijnsbesef (zie hoofdstuk

2

, onder

e

).
Deze vermogens gaan - afgaande op hun letterlijke betekenis - per definitie altijd samen met een bewuste ervaring. Het laatste komt logischerwijs doordat deze beide vermogens, in ieder geval, zoals in de omschrijvingen al is aangeven, betrekking hebben op specifieke inhouden, concepten of inzichten, die blijkbaar al de drempel van bewustzijn gepasseerd zijn. Dat betekent dat voor deze vermogens eerst een vermogen tot subjectief vermogen aanwezig moet zijn, willen ze zelf Łberhaupt mogelijk zijn.

Duidelijk is bovendien dat een bewustzijnstoestand waarin een organisme verkeert globaal van aard is, en daardoor veel algemener aanwezig dan de specifieke bewuste inhouden, zoals de twee eerdergenoemde.
Het is immers heel goed denkbaar dat de gebruikelijke bewuste ervaring van alledag op vele momenten volop aanwezig kan zijn, zonder dat dergelijke 'hogere' vormen van bewuste zelfreflexiviteit optreden. Bijvoorbeeld, tijdens het alledaagse waakbewustzijn kunnen we op momenten met onze bewuste aandacht geheel in beslag worden genomen door sterke zintuiglijke indrukken, intensieve fysieke activiteiten of intense gevoelens - tijdens sporten, vrijen, en andere intensieve activiteiten. We kunnen daarbij meestal uitstekend functioneren zonder per se steeds bewust te moeten zijn van ons zelf, en nog minder te hoeven stil te staan bij het feit van ons eigen bestaan of bewustzijn.
{Nb. Vergelijk hiermee de relatie van bewustzijn met neurologische functies voor de waaktoestand en gradaties van arousal. Zie hiervoor het overzicht van neuro-gerelateerde kenmerken van bewustzijn. Kenmerken van Subjectief Bewustzijn. Met name klasse (I) Niet-unieke kenmerken van bewustzijn; categorie (I.1): Niet-unieke kenmerken die neuronaal-gerelateerd zijn.
Zie ook de bespreking van neuro-reducties van bewustzijn. In zeer beknopte samenvatting: Toetsing van de reducties. }

De bewuste zelf-reflexieve vermogens zullen ťťrst een bewustzijn nodig hebben om Łberhaupt te kunnen opereren. Met andere woorden, ze vooronderstellen de aanwezigheid van een vermogen tot bewustzijn als noodzakelijke voorwaarde - en nŪet omgekeerd. Wanneer we ervan uitgaan dat deze zelfreflexieve vermogens zŤlf voorwaarde of oorzaak vormen van bewustzijn of ervaring van bewustzijn, dan volgt daaruit circulariteit. Dat ontneemt de verklaring elke grond en maakt deze toedracht uiterst onwaarschijnlijk.

Conclusie.


We kunnen bedenken dat het bewustzijn als een illusie kan ontstaan binnen het brein. De vraag is dan hoe het ontstaansproces van deze illusie in elkaar kan zitten, en vooral, welke causale factoren en bewerkingen hierin een rol spelen, en op welke plaats, op welke manier precies, de cruciale stap naar het resultaat gezet wordt.
We kunnen op basis van het illusiemodel een hele reeks mogelijkheden bekijken waarop dit het geval kan zijn, maar elke mogelijke hypothese leidt tot onoverkomelijke lacunes, beletsels en contradicties.

5. Virtuele 'werkelijkheid'.



Het bewustzijn - of althans de bewuste subjectieve ervaring - wordt, vanwege zijn tijd-ruimtelijke organisatie ook wel vergeleken met een 'virtuele ruimte' zoals die door computers bij wijze van illusie wordt 'opgewekt'. (Vergelijk ook termen als 'Bubble of Perception' of 'Cartesian theatre', die eveneens een sterk ruimtelijke suggestie hebben.
Hierbij is van belang wat de betekenis is van het predikaat 'virtueel' dat in verband wordt gebracht met het bewustzijn. Het is duidelijk dat hier een vergelijking wordt gemaakt met de virtuele wereld van computerprogramma's, met name die van de modernere generaties - het liefst interactief, en operationeel in een netwerk. Een aansprekend voorbeeld is natuurlijk de cyberspace van het internet waarin zich min of meer een parallelle mondiale samenleving heeft ontwikkeld (in de trant van Second Life, of verdergaande versies van sociale netwerken).

Het ontstaansproces van virtuele ervaring.


Wat houdt het virtuele karakter van dit soort 'werkelijkheden' nu eigenlijk in? Wat we tenminste kunnen vaststellen is dit: door een computersysteem wordt per tijdseenheid een hoeveelheid syntactische structuren van fysische informatiedragers omgezet in allerlei visuele en auditieve vormen c.q. stimuli (via beeldscherm of virtual reality-bril, luidsprekers of koptelefoon, virtual reality suit, e.d.). Deze stimuli hebben een onderlinge samenhang die min of meer aansluit op wat wij kunnen herkennen doordat we het, in bepaalde opzichten, al kennen. De kennis die hiervoor nodig is ligt besloten in onze subjectieve belevingswereld, ons cognitieve netwerk van betekenissen.
Dit betekenissen-netwerk bevat representaties van onze subjectieve gewaarwordingen van externe en interne oorsprong, en hun onderlinge verwijzingsrelaties. Het zal deels individueel, deels collectief zijn.
Die collectiviteit is echter geen echte 'gemeenschappelijkheid', het betekent louter dat individuele kennis meestal een deel bevat dat voor meerdere mensen op overeenkomstige wijze (en gelijktijdig) bekend, toegankelijk en in gebruik is. De collectiviteit bestaat dus hoogstens in de vorm van een globale intersubjectieve symmetrie. Feitelijk wordt het semantisch netwerk uitsluitend in unieke versies gevormd, bewaard en onderhouden, in de afzonderlijke lange-termijn geheugens van individuele gebruikers.

Het is dus mogelijk dat tussen (a) het externe, objectieve prikkelaanbod dat de computer levert van een fictieve 'werkelijkheid', en (b) onze interne, subjectieve ervaringsstructuur als gebruikers, een bepaalde mate van structuurovereenkomst of symmetrie ontstaat. Als nu de overeenstemming of aansluiting tussen deze twee voldoende sterk is, dan kan in onze subjectieve beleving een zodanig sterke herkenning ontstaan, dat een interpretatie mogelijk wordt die aan het prikkelaanbod realiteit toekent. In de kielzog van deze interpretatie worden bewuste en onbewuste reacties geactiveerd alsof we met een werkelijke situatie van doen hebben. Doordat we ons op deze wijze, min of meer onbewust en onwillekeurig, in zo'n kunstmatige situatie 'inleven', wordt de illusie van 'werkelijkheid' opgeroepen. Dit effect is te vergelijken met dat van een film (c.q. tekenfilm): waarbij pakweg 24 beeldjes per seconde zorgen voor een illusie van beweging, van levende wezentjes, enzovoorts.
Als de aansluiting echter niet toereikend is dan zal de illusie niet 'aanslaan': dan kijken we als het ware door de illusie heen, en zien we - bewust - vooral de 'kale' structuren, trucs en technieken. In dat geval kunnen we natuurlijk nog wel plezier beleven aan de kunstige of koddige constructies die de makers voor ons gefabriceerd hebben.

Creatieve herkenning.


Het psychische proces van herkenning is in het algemeen uitermate creatief, waardoor we onbewust heel snel allerlei lacunes tussen prikkelaanbod en aanwezige informatie overbruggen, aanvullen en 'afdichten'. Hierbij spelen allerlei onbewuste psychologische mechanismen en organisatie-principes een rol, zoals die van Gestalt-vorming, of 'object completion' (Ellis, 1955), dat is het compleet maken van een herkenbare perceptie (de zgn. Gestalt) door middel van psychische functies.
{Nb. Voorbeelden van zulke psychische mechansimen van creatieve synthese zijn: de compositietendens (het streven naar samenhang, orde), de synthetiserende tendens (streven naar heelheid, unificatie), de pregnantietendens (het streven naar herkenbaarheid, betekenis), de conservatieve tendens (invarianten-vorming en tijd-binding), stilering, stereotypering, 'boundary extension' (het toevoegen van een beschikbaar conceptueel schema, zie Intraub & Richardson, 1989), en - vooral - het projecteren van gevormde interne percepties op gebieden in het waarnemingsveld (endogene projectie).
Zie bijv. Beperkingen van menselijke kennis en oordeelsvorming. M.n. hoofdstuk 2, par. 2: Psychologische beperkingen en tendenties. }

Naarmate dit soort onbewuste creatieve processen bij de betrokken persoon - bijvoorbeeld computergebruiker - worden geactiveerd, zal de ervaring van de virtuele werkelijkheid voor hem of haar meer indringend, fascinerend, overtuigend en mogelijk zelfs hypnotiserend zijn.

Virtuele ervaring en bewustzijnservaring.


Aan de hand van het bovenstaande kunnen we nu enkele aspecten van het verband tussen 'virtuele werelden' en de bewustzijnservaring belichten.

(1)

Computers zijn niet voldoende voor virtueel effect.


In hoeverre is het bewustzijn te vergelijken met de virtuele werkelijkheden die computers oproepen? Dit lijkt nogal een scheve vergelijking omdat een computer alleen in staat is om een structuur te (re)produceren in een fysisch medium, zoals een patroon van kleurpunten op een beeldscherm of geluiden in een koptelefoon. Die structuur is er tevoren door menselijke ontwerpers volgens een bepaald 'recept' in geprogrammeerd, met het vooropgezette doel om zoals gezegd, een voorstelling weer te geven, in een bepaald scala van variaties, die als het goed is voor gebruikers herkenbaar en het liefst aansprekend zal zijn.

De 'virtual reality' ontstaat vervolgens op geen enkele manier in de computer, maar uitsluitend - met wat vertraging - 'in' een gebruiker c.q. consument, in de vorm van een intrapsychisch resultaat. Dat resultaat is rechtstreeks een 'semantisch effect' van zijn of haar subjectieve 'creatieve herkenning', op basis van de interpretatie van een computer-gegenereerde structuur als intrapsychisch verwijzend naar bestaande of tenminste denkbare werkelijke-wereld situaties.

Kortom, computers kunnen wel behulpzaam zijn, in hun rol van geprogrammeerde externe aangevers van sensorische en cognitieve 'ankers' bij het genereren van de virtuele wereld als min of meer intense subjectieve ervaring. Maar de creatieve bron van die 'wereld' bevindt zich uitsluitend binnen de subjectieve belevingswereld van mensen: enerzijds de ontwerpers en producenten, en anderzijds de gebruikers of consumenten. Op zichzelf zijn computers, computerprogramma's, informatiepatronen of andere externe hulpmiddelen zeker niet voldoende om die virtuele werkelijkheid te genereren.

(2)

Virtueel impliceert intrapsychisch proces.


Een virtuele 'werkelijkheid' blijkt dus op de eerste plaats te bestaan in de vorm van een subjectief ondervonden voorstelling van een bepaalde toedracht. Die voorstelling zal waarschijnlijk bestaan als een feitelijk bestaand, psychisch verschijnsel in iemands hersenen, in de vorm van een bepaalde dynamische neuro-psychologische constellatie. Ze ontstaat op psychologisch niveau als een wat kunstmatige, en vluchtige, cognitieve constructie, die steeds actief moet worden teweeggebracht door onze psychische processen. De inhoud van die voorstelling kan weliswaar op een werkelijke situatie lijken, maar is in haar geheel bezien in de grond fictief en dus een illusie.

(3)

'Virtuele wereld' vereist bewustzijn.


We kunnen dus beter van virtuele werkelijkheidsbelťving spreken. Die beleving is uiteraard op de eerste plaats subjectief (d.i. subject-bepaald), ze is een consequentie van de genoemde cognitieve constructie, en dus eveneens resultaat van psychische processen, die meestal zeer snel en hoofdzakelijk onbewust plaatsvinden. Maar de beleving zelf is gewoonlijk wŤl bewust, althans, ze moet tenminste eerst een moment bewust toegankelijk zijn om (subjectief) te kunnen worden opgemerkt. Immers, een virtuele werkelijkheid die totaal niet wordt opgemerkt en door niemand wordt ervaren, is hetzij niet 'echt' virtueel want in feite reŽel; hetzij simpelweg niet-bestaand in welke vorm dan ook.
Dat wil zeggen, de virtuele werkelijkheidservaring zal grotendeels onbewust worden opgebouwd maar vereist, om te worden bemerkt, ťťrst bewustzijn - net als overigens elke andersoortige, niet-virtuele of minder virtuele beleving.

(4)

Bewustzijn is onafhankelijk van de 'virtuele wereld'.


De vraag is vervolgens waar precies in het ontstaansproces van virtuele gewaarwordingen de ervaring van bewustzijn in het spel komt. Eťn ding is duidelijk: wanneer de virtuele werkelijkheidservaring samengaat met een bewuste bemerking dan is daarvoor ťťrst bewustzijn nodig, en niet omgekeerd.
Bewustzijn wordt dus ergens in het proces toegevoegd tussen (a) de waarneming van de externe 'computer-output' en (b) de interne ervaring van virtuele werkelijkheid. De toevoeging van bewustzijn gebeurt dus hoe dan ook ergens binnen het psychische systeem, na zintuiglijke receptie van de computersignalen, wellicht in een bepaald neuronaal traject, maar zonder twijfel voorafgaand aan de ervaring van virtuele werkelijkheid.
Zonder deze endogene bijdrage van het bewustzijn aan het waargenomen patroon, komt waarschijnlijk wel een min of meer intensief neuro-psychisch proces van associatie en activatie op gang - vergelijkbaar met een persoon in diepe slaap die reageert op sterke externe prikkels die onder de bewustzijnsdrempel blijven - maar een proces of ervaring die we 'virtueel' kunnen noemen, komt niet tot stand. Dit betekent dat bewustzijn een noodzakelijke causale ingrediŽnt vormt (zij het niet voldoende) voor de virtuele ervaring.

Conclusie.


De bewuste perceptie is te beschrijven als Bubble of Perception, en wordt daarom wel vergeleken met een virtual reality, zoals die door computers kan worden opgeroepen, waaruit het illusie-karakter van bewustzijn zou blijken.
Virtuele werkelijkheid kan echter alleen bestaan binnen een subjectieve beleving. Hierbij is bewustzijn een noodzakelijke voorwaarde en mede-oorzaak van virtuele ervaring - en niet omgekeerd. Dus voor zover processen of inhouden een virtueel karakter hebben, dan ligt daarin geen voorwaarde of oorzaak van bewustzijn. Dus virtuele werkelijkheid kunnen we niet invoeren als onderdeel van het proces dat we aanvoeren om bewustzijn te verklaren.

6. Aspecten van illusie en schijn.



We kunnen ook naar de eindconclusie van het illusiemodel kijken, en nagaan of daar implicaties of consequenties uit volgen die de empirische validiteit van het model ondersteunen - of tenminste de logische consistentie ervan intact houden.
{Nb. We volgen hierbij het principe van toetsing van de te bewijzen redenering via de methode 'bewijs door weerlegging van het tegendeel', reductio ad absurdum.
Zie o.m. Principes van Logische bewijsvoering; BewijsstrategieŽn klasse (II) Negatief bewijs: uitsluiten van mogelijkheden die tegenstrijdigheid opleveren. }

Stel dus dat de eindconclusie klopt: bewustzijn is louter een illusie.
De eerste vraag is dan: hůe kan het bewustzijn een illusie zijn? Of, wat betekent eigenlijk de bewering, die Daniel Dennett keer op keer als een mantra herhaalt, in alle toonaarden en variŽrende - maar altijd stellige - bewoordingen: 'het bewustzijn is niet wat het lijkt'?

Subjectieve ervaring van bewustzijn dat illusie is.


De voor de hand liggende uitleg - die ook Dennett aan deze uitspraak geeft - is dat bewustzijn, zoals wij het subjectief kennen (dus onderscheiden van de pure neurofysiologische toestand), uitsluitend een ervaring van bewustzijn is en dat die ervaring altijd een illusie is. Er bestaat dus geen 'echt' bewustzijn.
Maar in dat geval bestaat wel een subjectieve ervaring van bewustzijn die op illusie berust. Hoe kan dit werken?

(1)

Schijnbaar 'bewustzijn' is letterlijk: niet merkbaar.


De term 'bewust' komt etymologisch van 'beweten' (zoals 'bekend' van 'kennis', 'begrip' van 'greep', enz.), wat betekent bij kennis zijn, bewustheid hebben. Dus dan valt niet in te zien dat een schijnbaar 'bewustzijn' nog iets voorstelt of betekent, in Łberhaupt enige relatie tot bewustzijn, als het louter illusie is en daardoor, bij gebrek aan elke 'echte' bewustwording, niet kenbaar of herkenbaar zou zijn. We zouden er nooit iets van merken of weten, het zou niets met bewustzijn te maken hebben, en dus ook niets dat het zou verklaren van bewustzijn.
Het is echter nooit optimaal om een bewijs - of een weerlegging - louter op de juistheid of onjuistheid van woordgebruik en definities te baseren (hoewel het logisch wel voldoende kan zijn).

(2)

Schijnbaar 'bewustzijn' vereist concept van bewustzijn.


Laten we daarom even uitgaan van de voorlopige aanname dat wij bewustzijn inderdaad uitsluitend in een bedrieglijke schijnvorm kennen. Nu gaat het illusiemodel uit van een louter materialistische grondslag. Die 'misleide' ervaring zou dan dus alleen werkelijk kunnen bestaan in ťťn of andere vorm binnen ons brein: zoals een mentale inhoud, subjectief informatiepatroon of psychisch proces. Dit zou volgens het model hoogstens een abstract syntactisch ordeninsgpatroon kunnen zijn. En dat laatste zou in de grond niet anders dan een fysisch ordeningspatroon kunnen zijn, in de vorm van een neurofysiologische constellatie
In het algemeen komt een illusie of 'schijn' neer op een 'zinsbegoocheling', 'drogbeeld' of 'hersenschim'. Daarmee bedoelen we een voorstelling van zaken die irreŽel is, een mentaal construct vanuit fictie of fantasie.
De illusie van bewustzijn is dan dus alleen mogelijk als ze zou uitgaan van ťťn of andere cognitieve voorstelling, een concept van een niet-letterlijk bewustzijn, dat wil zeggen een symbolisch dan wel theoretisch 'pseudo-bewustzijn'.

Het verklaringsmodel van 'het bewustzijn als illusie' houdt dus op zijn minst de volgende implicaties in:

(1) Wij mensen plegen ťťn of ander gevoel, idee of concept van bewustzijn te koesteren.
(2) Dat bewustzijn nu zou een illusie zijn. Het betreft een 'pseudo-bewustzijn'.
(3) Het 'bewustzijn als illusie' kan daarom geparafraseerd worden als: de subjectieve ervaring van bewustzijn, zoals we die gewend zijn, lijkt misschien op 'echt' bewustzijn, maar dat Ūs het niet'.

Schijn door misleidende gelijkenis.


Er zou dus slechts schijnbaar een ervaring van bewustzijn zijn. Maar wat houdt dit in? We kunnen ook de vraag stellen: 'In welk opzicht is onze ervaring van bewustzijn een illusie'?
Er is dan sprake van een bedrieglijke gelijkenis van deze ervaring met een 'echt' bewustzijn.

We beginnen voor de duidelijkheid met een klein 'lexicon' van begrippen.
X : Datgene wat voor 'bewustzijn' doorgaat, of aangewezen wordt met de term 'bewustzijn'; het referent.
X+ : Een 'echt' bewustzijn.
X- : Een fictief bewustzijn.
Y : Eigenschap, kenmerk waardoor iets op 'bewustzijn' lijkt, of de schijn van bewustzijn opwekt.
Z : Een ding, object, verschijnsel, dat aanleiding geeft tot de ervaring of perceptie van bewustzijn.
Om zo te zeggen, de 'bewustzijnsallusor'.
Dit kan alles zijn behalve 'echt' bewustzijn.
[naar (Y): In dit geval is het een intra-psychisch verschijnsel, in de vorm van bepaalde teweeggebracht door min of meer complexe, grotendeels onbewuste processen van informatieverwerking. ]
processen of effecten, Dit object is binnen dit model identiek aan neurofysiologische processen en substanties.
V : Subjectieve bewustzijnservaring.
Volgens het 'illusiemodel': Een 'onecht' bewustzijn, of pseudo-bewustzijn.

W : Verschijningsvorm van Z, die een weergave, afbeelding, representatie van X behelst.
In dit geval is dit een hoeveelheid subjectieve informatie.
C : Concept, van wat 'bewustzijn' zou zijn.
I : Informatie, of abstract patroon.
N : Neurofysiologisch proces, fenomeen of 'neuronaal correlaat'.

Een bewering als 'X is een illusie' impliceert in het algemeen dat er twee mogelijkheden zijn:

(a)

Aanname dat X Łberhaupt niet bestaat.


Hier wordt een negatieve existentiŽle bewering gedaan:
'X bestaat niet'.
Er is daarbij schijn in het spel: 'X lijkt wel echt (te bestaan), maar bestaat niet echt'.
Deze schijn ontstaat door bepaalde eigenschappen, Y: 'X lijkt wel echt (te bestaan), vanwege eigenschap Y, maar bestaat niet echt'.
Die eigenschappen worden op zichzelf wŤl door iets werkelijks gedragen, een ding Z: 'Er is een ding Z dat op een X lijkt, vanwege eigenschap Y, maar er bestaan helemaal geen X'.
Bijvoorbeeld: 'Dit filmpersonage (Z) lijkt wel een bosfee (X), omdat de actrice zo overtuigend speelt (Y), maar is dat niet'.
Er is dus een voorstelling of perceptie van het ding als datgene waarop het lijkt: 'Z lijkt wel echt een X, vanwege eigenschap Y, maar bestaat enkel als W: nl. een weergave van iets-denkbaars-als-X'.
Bijvoorbeeld: 'Dit filmpersonage (Z) lijkt wel een bosfee (X), omdat de vertolking (Y) sterk is, maar bestaat alleen als voorstelling (d.i. weergave) (W); er bestaat geen 'echte' X'.
Vertaald in termen van de bewustzijnsillusie wordt dat iets als:
'Deze subjectieve ervaringsinhoud (Z) lijkt wel op 'echt' bewustzijn (X), vanwege bepaalde kenmerken (Y), maar is enkel een misleidende weergave (W); er bestaat helemaal geen 'echte' X'.
Samengevat:

(Mentaal verschijnsel [1] (Z)   (kenmerken (Y)));
  (Y(Z) (subjectieve informatie [2] (W) = misleidend);
    (W ('subjectie bewustzijn bestaat' (X+));
      (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]);
('subjectief bewustzijn bestaat niet' (X-)).

(b)

Aanname dat een echte X wŤl bestaat.


Er wordt hier direct een verband gelegd tussen een determinatie/attributie en identiteit:
'Ding Z lijkt vanwege eigenschap Y wel op X, maar is het niet echt'.
Bijvoorbeeld: 'Dit stuk papier (Z) lijkt vanwege zijn kleur (Y) op een bankbiljet (X), maar is dat niet echt'.
Het laatste kunnen we ook completer formuleren:
'Ding Z lijkt vanwege eigenschap Y wel op X, maar is in werkelijkheid enkel W'.
Bijvoorbeeld: 'Dit stuk papier (Z) lijkt vanwege zijn kleur (Y) op een bankbiljet (X), maar het is enkel een vervalsing, effect van een misleidende afbeelding (W)'.
Vertaald in termen van de bewustzijnsillusie luidt dit ongeveer als:
'Deze subjectieve ervaringsinhoud (Z) lijkt wel op 'echt' bewustzijn (X), vanwege bepaalde kenmerken (Y), maar is enkel een misleidende weergave (W), het is niet een 'echte' X terwijl die wel bestaat'.
Samengevat:

(Mentaal verschijnsel [1] (Z)   (kenmerken (Y)));
  (Y(Z) (subjectieve informatie [2] (W) = misleidend);
    (W ('subjectie bewustzijn bestaat' (X+));
      (bewuste perceptie = illusie [incl. illusie van subjectief bewustzijn]);
('subjectief bewustzijn bestaat' (X+)).

Het verschil tussen (a) en (b) is dus dat het gedachte ding X bij (a) niet bestaat, het is louter fantasie, maar bij (b) wel, het wordt alleen ten onrechte herkend.

Illusie op grond van vergelijking.


In het algemeen ontstaat een illusie op grond van vergelijking: dat wil zeggen, de vondst van een overeenkomst of gelijkenis van iets, een object (Z) met iets anders, een referent (X), wegens bepaalde eigenschappen (Y) - terwijl X op dat moment in werkelijkheid louter een effect of uitingsvorm is van een gegeven weergave (W), bijvoorbeeld een representatie van X gegeven in de verschijningsvorm van het object Z. De vergelijking gaat daarbij uit van een aantal veronderstellingen over de gelijkenis.
(1) Zoals gezegd moet elke gelijkenis van het ding (Z) staan tot iets anders, een bepaalde referent (X).
(2) De referent X moet bovendien een bepaalde inhoud hebben. Want stel dat een gelijkenis geen referent heeft, of het referent ervan bestaat uit een lege categorie: dan is er niets waarop het ding Z lijkt - 'het lijkt nergens op' - en is het niet zinnig om te spreken van een gelijkenis.
(3) Verder kan de gelijkenis min of meer reŽel en gegrond zijn, of vermeend c.q. fictief. Er kan bijvoorbeeld een 'scheve vergelijking' worden gemaakt, of ťťn die helemaal nergens op slaat.
(4) Wil een gelijkenis enigszins reŽel zijn dan moet deze berusten op een zekere mate van structuurovereenkomst (of symmetrie) tussen het ding (Z) en het referentiŽle gegeven (X).
(5) Het laatste wijst er op dat de vergelijking in principe symmetrisch is: referent (X) lijkt op zijn beurt weer op het ding (Z), - althans op sommige punten. Immers, als er raakvlakken zijn, dan zijn deze wederzijds.
(6) In het geval van illusie zal de gelijkenis c.q. overeenstemming hoogstens gedeeltelijk en beperkt zijn - want anders, bij volledige gelijkenis, is het geen illusie.
(7) Als we het referent (X) een illusie noemen, dan kan het object (Z) iets zijn wat we als werkelijk of eveneens als fictief beschouwen.
{Nb. Diverse combinaties zijn mogelijk, bijvoorbeeld: het object is reŽel object en het referent fictief: 'Deze paddestoel lijkt op een kabouter'; dubbel reŽel: 'Deze paddestoel lijkt op een bonzaÔ-boompje'; of dubbel fictief: 'Deze kerstman lijkt op een kabouter'. }

Het verhaal van Daniel Dennet houdt in dat we bepaalde subjectieve gewaarwordingen (Z) abusievelijk voor 'bewustzijn' (X) houden terwijl dit niet echt in vergelijkbare hoedanigheid bestaat. Deze misvatting begaan we wegens eigenschappen (Y) die in de processen van het brein worden opgeroepen, gesuggereerd of voorgespiegeld: waaronder aspecten en gewaarwordingen zoals samenhang, stabiliteit, 'heelheid', robuustheid, zelfgevoel, en bewust besef, en die we vervolgens abusievelijk toekennen aan dat vermeende bewustzijn (X).
Het is echter nog niet duidelijk hoe we volgens het illusiemodel de alledaagse subjectieve ervaring (Z) die we als bewustzijn aanmerken, precies moeten zien, als ze inderdaad een illusie zou zijn.

Zoals gezegd is het onontbeerlijk voor het object (Z) dat aanleiding geeft tot de illusie, dat deze een referent (X) heeft en dat die referent een niet-lege inhoud heeft. De ervaring van bewustzijn - illusie of niet - heeft daarom wellicht ťnige overeenstemming of gelijkenis met iets anders.

6.1. Gelijkenis met echt bewustzijn



Allereerst is er natuurlijk een theoretische mogelijkheid dat het referent van de bewustzijnsperceptie bestaat in een of ander 'echt' bewustzijn, zeg X+. Maar zoals eerder gezegd is voor het illusiemodel een totale en absolute reductie van bewustzijn vereist, wil het als valide kunnen worden aangemerkt. Dus deze situatie zou binnen het illusiemodel betekenen dat onze bewustzijnservaring volledig illusie is, terwijl een 'echt' bewustzijn tegelijk wel bestaat, of althans mogelijk is, in ťťn of andere parallelle vorm.
(a)

'Echt' bewustzijn heeft dan geen enkele relevantie.


Maar als onze bewustzijnservaring inderdaad altijd illusie is, dan ervaren we nooit echt bewustzijn en zijn dus feitelijk nooit echt bij bewustzijn, dus per saldo altijd bewusteloos. We zouden dan Łberhaupt niets bewust merken of weten, kennen of herkennen.
Een eventueel elders bestaand, 'echt' bewustzijn zou dus, omdat er alleen sprake zou zijn van bewusteloos functioneren, te allen tijde volledig aan ons voorbij gaan. We zouden ook daarvan nooit iets merken of weten. Het zou dan ook nooit enige directe relevantie hebben voor ons dagelijks functioneren als organisme. We hebben er dan niets mee te maken.
(b)

Geen verband tussen 'echt' en 'onecht' bewustzijn.


Tegelijk zouden wij uitsluitend een soort surrogaat bewustzijn hebben, een fictie die geen enkel verband zou hebben met dat 'reŽle' bewustzijn.
Zoals eerder gezegd zou dit geen inhoud of betekenis hebben in verband met (echt) bewustzijn, in letterlijke zin, en als zodanig dus feitelijk niets met bewustzijn te maken hebben.

Kortom, aan de ene kant (a) zou een 'echt' bewustzijn geen enkele relevantie voor ons hebben, en aan de andere kant (b) zou onze bewustzijnsillusie niets met welk bewustzijn dan ook te maken hebben. Dit zou dus een uiterst merkwaardige, onzinnige en onaannemelijke situatie opleveren.
We kunnen dan ook aannemen dat de mogelijkheid dat elk bewustzijn op illusie berust terwijl er tegelijk een 'echt' bewustzijn zou kunnen bestaan, strijdig met zichzelf en dus absurd is.
Bovendien blijft dan dat veronderstelde werkelijke bewustzijn - waar wij verder niets mee te maken zouden hebben - in het verklaringsmodel nog steeds geheel onbelicht en onverklaard.

De implicatie van het illusiemodel mag daarom zijn, dat elke vorm van werkelijk subjectief bewustzijn altijd een illusie is, en daarom noodzakelijk is uitgesloten als werkelijke mogelijkheid - dus ook in een vorm die parallel naast de 'illusieversie' zou kunnen bestaan. Maar als 'echt' bewustzijn niet bestaat dan is het ook niet mogelijk dat een veronderstelde illusie van bewustzijn in het brein berust op een gelijkenis of een vergelijking met een 'echt' bewustzijn. Dat zou betekenen dat de genoemde gelijkenis van de bewustzijnservaring in ieder geval geen referent heeft in een 'echt' bewustzijn.
Er zou dan misschien iets kunnen zijn, waarop het 'pseudo-bewustzijn' zou kunnen lijken, maar niet een vorm van bewustzijn. Maar wat?

6.2. Gelijkenis met een concept-van-bewustzijn



De werkelijke toedracht is volgens het illusiemodel dat het referent (X) van de specifieke bewustzijnsperceptie, de 'bewustzijnsallusor' (Z) volgens het illusiemodel niet een werkelijk bestaand, 'echt' bewustzijn (X+) is, maar louter verondersteld wordt, in een denkbeeld, opvatting of concept (C) van een 'echt' bewustzijn. De bewustzijnsinspirator Z heeft dus niet een gelijkenis met echt bewustzijn (daar dit niet echt bestaat), maar een gelijkenis met een concept-van-bewustzijn. Dit bewustzijnsconcept is ongetwijfeld een intrapsychische, mentale c.q. cognitieve constructie in de hersenen. Deze constructie kan in de fysicalistische visie van Dennett in de grond niet anders dan een neurofysisch verschijnsel zijn.
{Nb. Dat wil zeggen, een fysisch-materiŽle constellatie met bepaalde fysische ordeningspatronen, die alleen via observatie en vervolgens mentale stilering en 'natuurlijke' formalisering tot abstract-patroon informatie kan worden herleid.
Zie als eerder: Dimensies van informatie. }

Dit betekent dat de subjectieve gewaarwording Z die wij als het 'echte' bewustzijn (X) beschouwen, ongeacht en ondanks het bedrieglijke informatiepatroon (W), in werkelijkheid geheel samenvalt met specifieke processen van het zenuwstelsel (N). Deze processen kunnen van een hoog niveau van complexiteit zijn, maar zijn niettemin onscheidbaar onderdeel van het fysische brein.

De vergelijking heeft dus ongeveer het schema:
'De bewustzijnservaring (Z) lijkt, vanwege bepaalde eigenschappen (Y), met name complexe informatieverwerking (I) zoals representatie, reflectie en reflexiviteit - zie hiervoor hoofdstukken

2

en

3

- wel op een Ťcht bewustzijn (X+), maar is in werkelijkheid louter een neuro-fysisch proces (N)'.
Als kenmerkend verschil tussen beide (d.i. tussen Z en N) wordt bijvoorbeeld het volgende genoemd:
(•) Ons subjectieve ondervinding van bewustzijn (Z) wekt gewoonlijk de indruk dat zij een sterke samenhang, eenheid e.d. heeft (coherentie, eerder genoemd onder hoofdstuk

2

(d2), Binding problem).
Maar deze vermeende inherente eigenschappen van bewuste ervaring verdragen zich niet, zoals we eerder zagen, met de diverse eigenschappen van de betreffende hersenprocessen, zoals fragmentatie, distributie, dislocalized intelligence. Daarom zouden ze op zichzelf al als een illusie terzijde moeten worden geschoven. En daarom zou bewustzijn als geheel een illusie zijn.
(•) De bedrieglijke gelijkenis (tussen Z en X) berust op eigenschappen (Y) van psycho-fysische processen in de hersenen (N). Deze grondslag van onze bewustzijnservaring zou 'in werkelijkheid' gekenmerkt worden door een grote mate van verdeeldheid, verspreiding, versnippering e.d. (fragmentatie).
{Nb. Vgl. eerder. }

Conclusie.


Op grond van het voorgaande kunnen we redelijkeerwijs aannemen dat het illusiemodel uitgaat van een concept van bewustzijn waarbij dit wordt gezien als een misvatting of althans zodanig misleidend, dat hierdoor de illusie van bewustzijn ontstaat, terwijl dit denkbeeld onscheidbaar onderdeel is van het brein - zonder dat tegelijk enige vorm van echt bewustzijn bestaat of kan bestaan.

7. Concept-van-bewustzijn als causale schakel in het ontstaan van fictief bewustzijn.



De volgende vraag is nu of een concept-van-bewustzijn inderdaad een rol kan spelen als causale factor in het ontstaansproces van bewustzijn als illusie.

(1)

Effecten van het bewustzijnsconcept.


In de hersenen ontstaat volgens deze redenering op de een of andere manier via allerlei complexe processen een specifiek neurofysiologisch proces (N) met een ordeningspatroon (I), dat een concept van bewustzijn C(X+) impliceert, en op grond van dit bewustzijnsconcept C ontstaat een voorstelling (W) met specifieke eigenschappen (Y) waardoor de bewustzijnservaring (Z) lijkt op bewustzijn (X).

(2)

Bronnen van het bewustzijnsconcept.


We kunnen nu als voorlopige hypothese aannemen dat er dan ook iets zou kunnen zijn, waaraan het concept van bewustzijn feitelijk ontleend zou kunnen zijn. Deze bron van het concept van bewustzijn zou volgens Daniel Dennett c.s. worden gevormd door een collectief gekoesterde, culturele mythe van de 'geest'. Die mythe van bewustzijn zou wellicht voor mensen traditioneel kunnen dienen als min of meer plausibele, face value verklaring voor de speciale effecten, de 'spiegeleffecten' die het brein teweeg zou brengen. Daar zou onder meer ook de bedrieglijke illusie van een samenhangend 'zelf' door worden opgeroepen.

De vraag is natuurlijk wel of de alledaagse bewustzijnservaring zich inderdaad uit deze combinatie van factoren laat verklaren. Om dit te onderzoeken zijn twee kanten belangrijk van de relatie tussen bewustzijnservaring (Z) en het veronderstelde concept van bewustzijn (X):

(1)

Het bewustzijnsconcept moet voldoende effect hebben.


Het concept van bewustzijn (C) moet voldoende effect uitoefenen op psychische processen om een bijdrage te kunnen leveren aan het ontstaan van de bewustzijnsimpressie (Z).
(2)

Het bewustzijnsconcept moet zelf een bron hebben.


Het concept van bewustzijn (C) moet zelf 'gevoed' worden door bepaalde bronnen die voldoende informatie leveren over 'what it is like' om een bewustzijnservaring (Z) te hebben.

We zullen hieronder voor elk van deze voorwaarden nagaan in hoeverre ze in principe in de realiteit zouden kunnen optreden.

7.1. Concept-van-bewustzijn als bron: heeft het effect?



Op basis van de bovenbeschreven structuur van de 'bewustzijnsgelijkenis' kunnen we een ruwe schets maken van het ontstaansproces van bewustzijn-als-illusie in een aantal stappen:
(1) { N } : Een type neuro-fysisch proces.
Dit omvat bepaalde fysische ordeningspatronen, en vertegenwoordigt dus een bepaalde reflectieve informatie.
(2) { N I } : Het neuro-fysische ordeningspatroon impliceert (onder een bepaalde afleiding en bewerking, met name stilering, formalisering) een informatieverwerkingsproces.
Dit bestaat uit abstracte ordeningspatronen, en vertegenwoordigt dus een bepaalde abstract patroon-informatie.
(3) { I Y } : Het intra-psychische abstracte ordeningsproces heeft naar verondersteld wordt bepaalde typische eigenschappen, o.a. informatieverwerking, complexiteit, representatie, reflectie en reflexiviteit.
(4) + { C[1] } : toegevoegd wordt een collectief, overgeleverd idee, een concept of mythe van 'echt' bewustzijn.
(5) { (Y C[1]) C[2] } : Uit de combinatie van psychische proceseigenschappen en inhoudelijke bewustzijnsmythe volgt een intra-psychische interpretatie, die een cognitief concept C[2] oplevert, of theoretisch construct, van bewustzijn.
(5) { C[2] Z } : uit het bewustzijnsconcept ontstaat de alledaagse bewustzijnsimpressie Z, dat wil zeggen, inclusief de illusie van bewustzijn.

Vraag is nu of deze reconstructie in principe bruikbaar is voor een afdoende verklaring van de bewustzijnservaring.

(a)

Is een ervaring van bewustzijn dan nog mogelijk?


Als eerste zou volgens dit model het concept van bewustzijn (C) de meest directe oorzakelijke factor vormen voor het ontstaan van de alledaagse bewustzijnsallusor (Z).

(a1)

Geen voldoende voorwaarde.


De vraag is of de combinatie van informatiekenmerken, 'spiegeleffecten', en inhoudelijk bewustzijnsconcept (of bewustzijnsfictie) C wel voldoende is om de alledaagse bewustzijnservaring te laten ontstaan: dat wil zeggen, voldoende 'grondstof' biedt voor een schijn van bewustzijn, die overtuigend genoeg is om mensen dagelijks te doen geloven dat hun bewustzijn 'echt' is.

Vanouds bestaat er immers een brede concensus over de realiteit van bewustzijn. Het 'echte' bewustzijn wordt - nog steeds - algemeen beschouwd als een reŽel verschijnsel dat universeel verbreid is onder de menselijke soort, en misschien ook onder bepaalde (andere) diersoorten.
"Consciousness is a major thing not to notice" (R. Grush & P. Smith Churchland, 1995 (JCS)).

Daarbij is er een groot aantal aspecten die algemeen worden herkend als kenmerken van bewustzijn:
(•) Inherente kenmerken van bewustzijn, die aan inhoudelijke informatie gerelateerd zijn, zoals subjectief referentiepunt, herkenbaarheid, inhoudelijke samenhang (coherentie), verwijzend vermogen, betekenisgehalte;
(•) Unieke kenmerken van bewustzijn, die uitsluitend voor bewustzijn gelden, zoals bewust besef, bewuste bemerking van iets (op grond van verschil), globale intensiteit van bewustzijn, subjectieve gewaarwordingen (sentiency), belevingskwaliteit (qualia), belevingsintensiteit (impressiviteit), ondervonden zinvolheid (pregnantie), ondervonden betekenisgehalte (intensionaliteit), globale kwaliteitsbeleving (satisfactie), en aspecten van 'vrije wil' (voluntarisme).
{Nb. Zie voor een bondig overzicht wederom: Kenmerken van Subjectief Bewustzijn. }

De vraag is nu: kunnen alle kenmerken die we typisch aan bewustzijn toeschrijven, of aan bewustzijnservaring, voldoende worden verklaard als aspecten van inhoudelijke constructies, om zo te zeggen 'verzinsels', die voortvloeien uit een bepaalde persoonlijke of collectieve fictie?
Er kunnen weliswaar een heleboel mythen en illusies worden aangewezen in menselijke informatieverwerking, maar de ťne illusie is de andere niet. Een inhoudelijke illusie, zoals het geloof in 'echte' kabouters, betekent nog niet dat de bewuste beleving van die illusie - zoals een bewuste perceptie van een kabouter - op zichzelf, op het punt van bewuste ervaring, totaal op illusie berust. We kunnen alle denkbare illusies die cognitieve inhouden kunnen bevatten, samen beschouwen op aspecten van waarheidsgetrouwheid, identiteit, samenhang en dergelijke - en kritiseren op de meest strenge manier. Maar dan biedt dat geheel nog niet automatisch een volledige verklaring voor het ontstaan van de algemene dagelijkse, subjectieve bewustzijnservaring.
We zijn hiermee weer beland op het punt dat onjuiste informatie niet voldoende is om een illusie van bewustzijn voort te brengen. (Zie hoofdstuk

4

par.

4.3.

,

4.4.

).

Met name biedt de onjuistheid van bepaalde subjectieve informatie nog geen verklaring voor alle inherente en unieke kenmerken van bewustzijn. Dit niet in het minst ook vanwege typische aspecten als constantie en samenhang van die ervaring als geheel - illusie of niet. Dat enkele 'lokale' onderdelen van onze subjectieve informatie (cognities) die foutieve inhoud hebben, de volledige grondslag kunnen vormen voor een dergelijke robuuste coherentie van het geheel (de bewuste ervaring) is niet erg aannemelijk.

(a2)

Geen noodzakelijke voorwaarde.


Vervolgens wordt duidelijk dat de bewustzijnservaring op bepaalde momenten niet in Ťlk opzicht illusie is.
Daarbij kunnen we denken aan zeer intense bewuste ervaringen, die moeilijk kunnen worden gezien als uitvloeisel van fictie of mythe.

Een duidelijk voorbeeld is de bewuste beleving van intense pijn. De vraag is of er voor een willekeurig individu - misschien Daniel Dennett zelf - een dermate hoog niveau van pijn kan worden geregeld, die niet meer als louter een kwestie van 'illusie' kan worden afgedaan. Althans niet met het minste greintje emotionele eerlijkheid. Mijn vermoeden is dat de meeste mensen hier bevestigend op zullen antwoorden.
Deze verwachting volgt uiteraard uit de sterke voorspellende kracht van de causale relatie (het oorzaak-gevolg verband) tussen intense externe prikkels en de kwaliteit van interne bewuste ervaring. Zolang het bewustzijn niet is uitgeschakeld zullen bepaalde exogene prikkels bij mensen met een redelijk gezond functionerend zenuwstelsel voorspelbaar bepaalde heftige gewaarwordingen oproepen, die met geen mogelijkheid als illusie kunnen worden aangemerkt. De bewuste beleving van intense pijn bijvoorbeeld zal voor de meeste mensen, zeker wanneer ze haar direct, 'aan den lijve' ondergaan, op dat moment niet bepaald een illusie of mythe vormen. Dat geldt ook voor elke waarnemer van de gekwelde betrokkene, voor zover die althans enig empathisch vermogen heeft en bereid is dit te laten spreken (en niet weg te rationaliseren met pseudo-logica).

Tussen intensiteit van bewuste beleving en de mate van realiteitservaring valt bovendien een min of meer evenredig verband te bespeuren. Naarmate de qualia die mensen ervaren intenser worden - bijvoorbeeld, wanneer de pijn toeneemt - zullen ze meestal als realistischer, en minder als illusie worden ervaren. De pijn wordt bijvoorbeeld lastiger te relativeren. De qualia worden voor de betrokkene dus steeds minder 'pseudo-qualia'.

Er kan zeker nog veel fictief en illusie blijven aan zo'n heftige bewuste pijnbeleving, vanwege het simpele feit dat het een subjectieve ervaring betreft en geen perfecte objectieve registratie - maar het zou niet totaal illusie zijn, althans zeker niet voor het lijdend voorwerp. Een illusiegehalte zou voor een ůnbewust pijngevoel juist eerder kunnen gelden: een gevoel dat onbewust blijft, is op dat moment immers niet iets dat door de betrokkene echt bemerkt of gevoeld kan worden, laat staan dat voor de betrokkene het enige betekenis zou hebben of onaangenaamheid zou kunnen opwerpen.

Weliswaar weten we dat veel mensen door de eeuwen heen gestreefd hebben naar een ongenaakbare toestand ten aanzien van allerlei vormen van pijn en onbehagen, maar de uitdaging is en was juist om dit een enigszins bewuste toestand te kunnen. Dit kon immers alleen een overwinning heten, als het met een sprankje bewustzijn lukte. Dit hoogstens met hulp van allerlei vormen en methoden van beneveling, verdoving of bedwelming van bewustzijn, meer algemeen gezegd een zekere bewustzijnsverlaging (hoewel die trouwens vaak als 'bewustzijnsverhoging' werd aangeprezen). Die toestand was echter meestal als tijdelijk bedoeld. Uitzonderingen hierop kwamen voor wanneer de betrokkene te ver ging in zijn poging om aan de belevingsrisico's van het normale bewustzijn te ontsnappen, bijvoorbeeld door overdosis drugs of suÔcide.

We kunnen dus gevoeglijk aannemen dat er bepaalde intense subjectieve gewaarwordingen zijn die kunnen optreden mŤt een - overweldigende - toestand van bewustzijn. Dat zal ongetwijfeld zoals elke menselijke ervaring altijd gepaard gaat met een zekere mate van misvatting en 'blurred' perceptie van wat er gaande is - maar zÚnder complete illusie van de bewuste modus van zulke intense gewaarwordingen.
Een toestand van (totale) illusie is dan ook duidelijk geen inherent kenmerk van de bewuste ervaring. Dat betekent dat illusie geen essentieel ingrediŽnt is van de bewuste ervaring. Het is dan ook niet altijd nodig - laat staan voldoende - om de bewustzijnservaring te doen ontstaan.

En zoals we al hiervoor hebben gezien, zodra we kunnen concluderen dat ook maar een fractie van bewustzijn kan bestaan dat niet volledig illusie is, hebben we het illusiemodel al volledig weerlegd.

Tot dusver biedt het illusiemodel geen enkel aanknopingspunt voor een causaal mechanisme waardoor uit het eerste (concept, mythe, illusie, fictie C) het tweede (perceptie, bewustzijnsillusie) zou kunnen ontstaan.

(b)

Kan een onbewuste illusie van bewustzijn 'werken'?


Laten we echter even voor de volledigheid van de toetsing aannemen dat er een manier is waarop een concept van bewustzijn kan ontstaan. Hoe dan ook zijn we, als er geen echt bewustzijn bestaat, so wie so per definitie, onveranderlijk onbewust. Hoe kunnen wij dan, als we onveranderlijk bewusteloos zijn, 'gefopt' worden met een 'namaak-bewustzijn'?

Zonder echt bestaand bewustzijn blijft er weinig zinnige reden over om aan te nemen dat er een menselijke ervaring, perceptie of impressie van bewustzijn Łberhaupt zou kunnen bestaan, laat staan dat ze op een illusie zou berusten. Dus in dat geval is het niet aannemelijk dat er een illusie van bewustzijn bestaat.

(c)

Kan een illusie van bewustzijn ontmaskerd worden?


Maar stel dat een dergelijk zelfbedrog toch mogelijk zou zijn. Stel dat de effecten van de reflexieve processen in de hersenen, gecombineerd wellicht met de effecten van de collectieve mythe, inderdaad zů sterk zouden zijn, dat systematisch een of ander drogbeeld, een illusie van bewustzijn zou worden opgeroepen. Een beleving van 'echt' bewustzijn zou dan altijd op illusie berusten, en zou daarom in wezen foutief zijn. Hoe het ook zij, er is dan op zijn minst een gedeelte van de structuur of inhoud van de illusie dat volgens het illusiemodel niets anders zou zijn dan een onderdeel of aspect van neuronale processen.

Volgens het illusiemodel schijnt het nu mogelijk te zijn om de illusie tot op zekere hoogte te 'ontmaskeren' als zijnde louter fysisch proces.
Het lijkt echter lastig om de alledaagse bewustzijnservaring als illusie te ontmaskeren, als niet ťťrst een criterium bekend is om onderscheid te maken tussen echt en onecht bewustzijn, en dat vraagt op zijn minst om enige kennis van 'echt' bewustzijn. Voor die kennis is echter enig besef nodig van wat 'echt' bewustzijn is. Maar dat 'echte' bewustzijn zal niet anders herkenbaar zijn dan met enig bewust besef. En voor dat bewuste besef is ťťrst enig 'echt' bewustzijn onmisbaar. Maar dan is dan is dat bewustzijn dus 'echt' en geen illusie. Dus dan kan 'echt' bewustzijn wel degelijk bestaan. En daarmee is het illusiemodel weerlegd.
(De vraag of er dan bronnen van ideeŽn over 'echt' bewustzijn te vinden zijn, zullen we nog verderop bespreken, onder

7.2

).

(d)

Na ontmaskering van de illusie: wat dan?


Stel echter dat een dergelijke ontmaskering van bewustzijn mogelijk is. Wat zou de consequentie zijn van een geslaagde ontmaskering? Wat dan zou blijken is dat de illusie van bewustzijn voorheen hoogstens een 'onvolkomen begrip' was van de eigen bewustzijnservaring, dat in het brein aanwezig was. Dit betekent dat het subjectief bewustzijn tot dusver een 'pseudo-bewustzijn' was, omdat we er een verkeerd begrip van hadden, een misconceptie. En als we haar ware aard of functioneren op een gegeven moment maar goed beginnen te begrijpen (zoals Daniel Dennett dat naar verluid doet), dan 'doorzien' we de illusie. Dan wordt het 'pseudo-bewustzijn' dus grondig geordend, verhelderd en gecorrigeerd.

Het is denkbaar dat het mentale construct dat de illusie van bewustzijn behelst, in dit proces min of meer zal 'instorten' c.q. imploderen. Misschien is het wat al te voortvarend om aan te nemen dat de illusie van bewustzijn daarmee volledig ontmanteld is (een volledige verklaring c.q. reductie in het 'open' systeem van het fysisch domein is Łberhaupt een moeilijk te behalen resultaat vanuit kentheoretisch perspectief).

Maar stel dat de aanhangers van het illusiemodel het in ieder geval op hoofdlijnen bij het rechte eind hebben. Dan zal de subjectieve ervaring van bewustzijn met de illusie-verklaring toch tenminste voor een deel ophouden een 'pseudo-bewustzijn' te zijn. Maar wat houden we dan nog over?
Daarvoor kunnen we denken aan twee mogelijkheden:

(d1)

De illusie doorzien: het einde van bewustzijnservaring?


Als eerste is het mogelijk dat met de ontmaskering van bewustzijn als illusie al snel de dynamiek van de bewustzijnsillusie wordt doorbroken. Bijvoorbeeld, het is denkbaar dat de veronderstelde 'spiegel-effecten' in allerlei psychische processen behoorlijk aan kracht verliezen, zo niet geheel ontzenuwd raken en uitgeschakeld worden. In dat geval lijkt het aannemelijk dat het eerdere illusie-effect, de gewaarwording van bewustzijn, ook niet meer op dezelfde wijze zal worden bereikt. De 'naakte' werkelijkheid van de onderliggende, 'kale' neurofysiologische processen zou worden blootgelegd. Het gevoel van samenhang zou plaats kunnen maken voor fragmentatie, het idee een 'zelf' te zijn zou kunnen plaatsmaken voor verlies van elke notie van individualiteit, en zo verder. Anders gezegd, de bewustzijnsillusie wordt dan ontkracht.

Ondertussen gaan we nog steeds uit van de aanname dat 'echt' bewustzijn niet bestaat. Anders gezegd, een proportie 'illusie' wordt dan opgelost, maar kan vervolgens door niets anders worden vervangen dan een evenredige proportie 'geen bewustzijn in-welke-zin-ook'.

Dit laatste zou echter betekenen dat de voorstanders van het illusie-model, die het bewustzijn in die zin correct hebben begrepen, met hun inzichten dan in ieder geval een flink deel van hun gewone, 'intuÔtieve' subjectieve bewustzijnsbeleving hebben verloren. Het eerdere bewust besef was weliswaar fictief, maar het kan niet gerepareerd of vervangen worden. Dus dan verandert het goeddeels in bewusteloosheid of zogezegd zombificatie. Vanuit psychologisch perspectief gezien een tamelijk pathologische toestand.

Maar is dit ook zo? Het valt moeilijk te bewijzen, maar het lijkt er niet op dat de protagonisten van de illusie een stuk bewustelozer, beduidend chaotischer en meer gedepersonaliseerd door het leven dolen, dan hun minder visionaire medemensen. Sterker, het valt aan te nemen dat de 'ontmaskering' van bewustzijn als illusie geen enkel naspeurbaar beletsel opwerpt voor de aanwezigheid van het bewustzijn in de zin van de gewone, algemeen bekende universele menselijke eigenschap - bij wie dan ook.

(d2)

Zonder illusie: het begin van 'echt' bewustzijn?


Er is ook een andere mogelijkheid, wanneer de illusie van bewustzijn doorzien wordt, en wel precies het omgekeerde van de vorige situatie. Misschien wordt het ondervonden bewustzijn dan al een stuk minder illusie. Mogelijk wordt het 'pseudo-bewustzijn' dan voor een deel getransformeerd en herschapen tot 'echt' bewustzijn. Met andere woorden, een proportie 'illusie' wordt dan een proportie 'echt bewustzijn'.

In dat geval zou blijken dat het verschil tussen 'illusie' en 'echt bewustzijn' in de inhoud van onze gedachten lag. We hebben het dan opnieuw over een concept van bewustzijn, dat een cruciale rol zou vervullen. Er zou eerst een bepaalde correctie van die gedachteninhoud nodig zijn, in de vorm van 'ontmythologisering', die dan 'echt' bewustzijn zou veroorzaken - waardoor deze en andere gedachteninhouden in een 'echte' bewuste toestand kunnen komen.
Ook deze mogelijkheid werpt weer volgende vragen en problemen op.
(d2.1) Wat hier nog steeds onverklaard blijft is hoe een gedachteninhoud precies 'echt' bewustzijn kan veroorzaken.
Dat is ook helemaal niet de portee van het illusiemodel. Dit geeft immers enkel iets heel anders aan, nl. hoe een gedachteninhoud pseudo-bewustzijn veroorzaakt. Daarvan zagen we trouwens al dat het zonder naspeurbare grond blijft.
{Nb. Zie voor het laatste

6.2

, en

7.2

verderop. }
(d2.2) So wie so valt het te betwijfelen of dit laatste Łberhaupt mogelijk is.
{Nb. Zie hiervoor de zeer beknopte samenvatting: 'Is reductie van bewustzijn haalbaar?' ; hoofdstuk 5, Toetsing van de reducties; par. 2, Informatie-reductie. }
(d2.3) Het zou bovendien betekenen dat alleen degenen die de illusie van bewustzijn doorzien - en dat zullen met name aanhangers van het 'illusiemodel' zijn - een bepaalde mate van 'echt' bewustzijn hebben. Er zou dan sprake zijn van een zeer selecte 'bewustzijnselite'. Dat lijkt als feit niet aannemelijk, overeenkomstig het bovenstaande (onder d2.1). Het is bovendien strijdig met de hoofdlijn van het illusiemodel zelf.

Het ziet er dus niet naar uit dat de 'ontmaskering' van bewustzijn als illusie ook maar enigszins de weg vrij maakt voor een bewustzijn dat 'echter' is dan wat tevoren al - in schijnbaar fictieve vorm - in het brein aanwezig was.

Conclusie.


Er valt al met al weinig verandering op te merken als de illusie wordt 'ontmaskerd'. Het lijkt er niet op dat dit enige invloed zal hebben op het bewustzijn zoals dit doorgaans ervaren wordt: het werpt voor zover bekend geen belemmeringen op om nog evenveel bewustzijn te ervaren. Het kan er evenmin toe leiden dat vervolgens een bewustzijn wordt ervaren dat 'echter' is dan wat al voorhanden was.
Er is dan ook geen reden om de bewustzijnservaring aan te zien voor louter illusie. Oftewel: het gewone, alledaagse subjectief bewustzijn zoals wij dat kennen, kan nauwelijks op een 'echter' bewustzijn lijken dan diezelfde, aloude en vertrouwde bewustzijnservaring.

7.2. Concept-van-bewustzijn als effect: kent het bepaalde bronnen?



We kunnen de situatie ook benaderen vanuit een tegengestelde positie, en onderzoeken waar het concept van bewustzijn inhoudelijk uit kan zijn opgebouwd. We gaan daarbij nog steeds uit van de eerdergenoemde aannamen, samengevat:
(a) er bestaat geen echt bewustzijn;
(b) we hebben enkel een concept van bewustzijn;
en (c) dit concept heeft tenminste enige overeenstemming of gelijkenis met iets anders, maar zeker niet met een 'echt' bewustzijn.

We zullen de mogelijkheden nalopen waar een concept uit kan worden opgebouwd dat effectief de bewustzijnsillusie kan oproepen.

(a)

Het concept blijft onbewust.


We kunnen zoals gezegd voorlopig aannemen dat er iets zou kunnen zijn, waaraan het 'pseudo-bewustzijn' als cognitief construct feitelijk ontleend zou zijn.
We tenminste dit zeker: als Ťlk concept van bewustzijn op illusie berust, dan moet dat concept - bij gebrek van 'echt' bewustzijn - dus op zichzelf ook absoluut en onveranderlijk onbewust zijn. Een concept van bewustzijn dat permanent onbewust blijft kan echter, als gevolg van die omstandigheid, nooit ontleend zijn aan bepaalde onderscheidende kenmerken van 'echt' bewustzijn.
(1) Ten eerste omdat er dan nergens ook maar enige notie zou kunnen bestaan van wat 'echt' bewustzijn zou kunnen zijn.
(2) Ten tweede - en eens temeer - omdat het 'echte' bewustzijn volgens het model altijd illusie zou zijn, en dus feitelijk ook nergens te vinden zou zijn.
Het begrip 'bewustzijn' zoals mensen dat in het algemeen plegen te hanteren, zou dan dus louter conceptueel zijn - theoretisch, hypothetisch - zonder enige naspeurbare inhoudelijke betekenis, en beslist zonder enig referent in de werkelijkheid.

Maar als er helemaal geen bewustzijn bestaat, en de illusie van bewustzijn is niet aan iets reŽels ontleend, zodat ook elk mogelijk concept van bewustzijn zonder enige inhoud of betekenis zou blijven, zij het juiste of onjuiste inhoud - dan kan de illusie van bewustzijn hoogstens bestaan als een 'kaal' informatiepatroon, dat altijd zonder enige herkenning of interpretatie blijft, binnen een altijd volledig bewusteloos proces van informatieverwerking. Met andere woorden, dan kan de bewustzijnservaring (Z) enkel een combinatorische uitbreiding zijn, en dus een abstract-syntactische afgeleide, van het semantisch-lege intra-psychische concept met betrekking tot een vermeend 'echt' bewustzijn.

(b)

Het concept is primair individueel-psychologisch.


Een interessante vraag is nu of het voor de bewustzijnsillusie verschil uitmaakt of het intrapsychische concept C van bewustzijn de benodigde informatie 'oorspronkelijk' heeft ontleend aan een extern gedachtengoed zoals een historisch overgeleverde, collectief gekoesterde, cultuur-gebonden mythe M. We kunnen hierbij aan twee mogelijkheden denken:
(1) Referent X wordt uitsluitend gevormd door een individueel-psychologisch concept (C).
(2) Referent X ligt (uiteindelijk, in de grond of oorspronkelijk) in een sociaal-culturele mythe (M).

In beide gevallen (C, M) hebben we - bij afwezigheid van 'echt' bewustzijn - te maken met ten hoogste een vorm van abstract patroon informatie I, en tenminste een vorm van fysisch-gecodeerde, reflectieve informatie in neurofysiologische dragers N. Dit betekent dat het intra-psychische concept C en de eventuele sociaal-psychologische mythe M in ieder geval elk tot hetzelfde domein van informatie behoren, zij het I of N. Het verschil tussen beide is dan louter een kwestie van de toevallige locatie van codering (dat wil zeggen, in wiens brein en wanneer). Maar die locatie zal voor het individuele brein uiteindelijk altijd intra-psychisch zijn, wil ze een directe relevantie hebben voor het ontstaan van de 'locale' bewustzijnservaring. Dit betekent dat het individueel-psychologische concept voor het ontstaan van de bewustzijnservaring altijd een meer proximale factor is, en dus hoe dan ook meer relevant, dan een sociaal-culturele mythe.

Kortom, volgens alle mogelijke interpretaties valt het model van de 'bewustzijnsillusie' hoogstens terug op een model van 'bewustzijn als informatie'.
{Nb. Zie de bespreking van informatie-gerichte reducties. Link als boven. }

(c)

De robot kan geen illusie van bewustzijn opbouwen.


Volgens het illusiemodel bestaat er wel een subjectieve bewustzijnservaring, maar niet een Ťchte bewuste ervaring: de laatste is geen reŽel gegeven, maar een fictie. Ieder mens functioneert in die zin altijd als bewusteloze automaat in-levende-materie, een bio-robot, zonder enige vorm van besef, gevoel, kwaliteitservaring, keuzevrijheid, eigenwaarde of verantwoordelijkheid.

Maar ook een bewustzijnservaring die op fictie berust zal op zijn minst een bepaalde notie vereisen van wat dat ongeveer is: iets bewust ervaren. Als elke relevante informatie ontbreekt dan zal een ervaring immers elke willekeurige vorm en inhoud kunnen aannemen om bestempelt te kunnen worden tot 'bewustzijn'.

Een aangewezen bron voor de benodigde informatie is uiteraard het reŽle vermogen tot 'echt' bewustzijn - hetgeen de altijd-bewusteloze automaat echter per definitie niet heeft. Sterker, de robot heeft geen enkele referentie aan een 'echt' bewustzijn.

De cruciale vraag voor de illusie-metafoor is dus, waar een altijd-bewusteloze robot de 'grondstof' of (basis)informatie vandaan kan halen om zijn illusie op te bouwen. Waar kan het de benodigde aanwijzingen vinden voor enige notie of schijn van wat bewustzijn zůu kunnen zijn - anders gezegd, van 'what it is like' om een bewustzijn te ervaren?
Te denken valt aan een aantal mogelijke bronnen:

Denkbare bronnen van schijn-bewustzijn.



(b1)

Subjectief bewustzijn als bron.


Dit lijkt een weinig aannemelijke bron voor illusief bewustzijn. Want (a) het is in tegenspraak met de aanname 'Er bestaat geen 'echt' bewustzijn'; en (b) het komt neer op de aanname van de mogelijkheid 'Er bestaat wŤl 'echt' bewustzijn'. En dit laatste betekent dat er er helemaal geen sprake is van illusie, wat in tegenspraak is met het hele illusiemodel.
{Nb. Zie ook eerder. }

(b2)

Subjectiviteit als bron.


Illusies behoren tot een categorie van denkbeelden dan wel werkelijkheidsrepresentaties, dus in ieder geval vormen van subjectieve informatie. Die zaken kunnen op zich uitsluitend 'bestaan' binnen het domein van subjectieve visies, ofwel van subjectieve beleving.
We kunnen hierbij aan twee betekenissen van 'subjectief' denken.
(b2.1)

Subjectief in de zin van subject-bepaald.


Eerste betekenis is subjectief in de betekenis van 'subject-bepaald'. In dat geval is subjectiviteit afhankelijk van een registrerend medium. Dit medium kan in principe van elk denkbaar domein zijn dus het kan ook gewoon fysisch zijn. Bijvoorbeeld, ook een puur mechanisch, dood meetinstrument (zoals een thermometer, een manometer, enz.) zal informatie vergaren en weergeven op een manier die afhankelijk is van de eigenschappen van dat instrument, waardoor die informatie die subject-bepaald is, dus subjectief, en doet dat - als het werkt zoals het bedoeld is - ook.
{Nb. Het betreft hier het niveau van 'causaal-effect informatie', of 'reflectieve informatie', die incidenteel is, en gebonden is aan een materiŽle drager. Deze informatie bestaat in de vorm van een ordeningspatroon, als het ware 'geŽtst' in de materiŽle drager.
Dit patroon is hoe dan ook in bepaalde mate een reflectie van de ordeningstoestand van het weergegeven object. Deze reflectie is in het algemeen het 'natuurlijke' gevolg van een fysisch-causaal, mechanisch proces, een inwerking of beÔnvloeding vanuit het object. Als zodanig zal reflectieve informatie altijd een zekere proportie informatie bevatten die object-bepaald is.
Zie wederom het overzicht over typen van informatie. }
Subjectiviteit is in deze zin dus niet per se gebonden aan een bewustzijn, dat wil zeggen, ze is niet per se 'bewustzijn-afhankelijk'. Hieruit mag blijken dat subjectiviteit veel algemener is dan (subjectieve) bewustzijnservaring, ze is daarbij overkoepelend ten opzichte van de laatste, en als zodanig kan ze niet een bron of ingrediŽnt vormen voor ervaring van bewustzijn.
(b2.2)

Subjectief in de zin van subjectieve beleving.


Een andere betekenis van subjectief ligt in het begrip 'subjectieve' beleving of gewaarwording. Hiervoor is echter eerst bewustzijn nodig, omdat anders voor de betrokkene, het subject, geen beleving of gewaarwording valt te bespeuren. Maar de vervulling van die vereiste zou in tegenspraak zijn met de uitgangspunten van het illusiemodel.

Kortom, het is niet aannemelijk dat subjectiviteit kan fungeren als een geschikte bron voor een illusie van bewustzijn.

(b3)

Causaal-effect informatie als bron.


Stel dat de bewustzijnsillusie alleen ontleend is aan effecten in de fysische wereld. In dat geval moeten we aannemen dat we louter fungeren als een mechanisch systeem, vergelijkbaar met een computer of 'intelligente automaat'. Deze behelst ten diepste enkel een fysisch object. Het bevindt zich als verschijnsel an Sich op het niveau van realia, d.i. fysisch procesniveau. In zo'n systeem vinden dan ook uitsluitend fysische processen in plaats.

We kunnen er van uitgaan dat voor een bewusteloze robot 'informatie' de enige bron is van zijn 'denkprocessen'. Dat kan dan - voor een altijd-onbewuste automaat - alleen informatie betreffen van het niveau van causale verschijnselen, dus het type reflectieve informatie: een codering van gebeurtenissen in een fysische 'drager' die plaatsvindt als gevolg van hun causale effecten.
Er zullen in de toestandwisselingen van de automaat dan ook geen inhoudelijke noties van 'waarheid' of 'illusie' te vinden zijn. Zulke termen of kwalificaties zouden voor de bewusteloze 'bio-robot' geen enkele betekenis hebben. De bijbehorende begrippen en inhouden zouden voor de robot letterlijk ondenkbaar zijn. Anders gezegd, 'de robot weet niet'. Want de robot 'handelt', functioneert mechanisch, zonder enig benul van wat er gaande is.
{Nb. Bijvoorbeeld: het maakt voor een computer niet uit - so wie so niet voor een formeel systeem of Turing machine, dat uiteindelijk altijd gebaseerd is op propositielogica - of de binaire waarden {'0','1'} te lezen zijn als {'waar', 'onwaar'}, of als {'onwaar', 'waar'}. }

Kenmerken of concepten zoals 'waarheid' en 'illusie' kunnen als inhoudelijke begrippen uitsluitend door een bewustzijn van buitenaf aan gegevens worden toegekend.
Verder biedt het beschikbare domein van informatie, dat voor de bewusteloze robot beperkt is tot de ordeningspatronen van de fysische werkelijkheid, ook nergens aangrijpingspunten of herkenningspunten voor iets als bewustzijn - of dit 'echt' of 'illusoir' is.

Nu gaat de vergelijking van een levend mens met robot, machine of automaat uiteraard op talrijke punten mank. Maar, robot of niet: de conclusie blijft staan dat het onaannemelijk is dat het zonder enig bewust besef Łberhaupt mogelijk zou zijn om onderscheid te maken tussen 'echtheid' en 'illusie', waar en onwaar, schijn en werkelijkheid, enzovoorts.

(b4)

Inhoudelijke informatie als bron.


Stel dat we even aan de bovengenoemde, theoretische bezwaren voorbijgaan, en kijken of voor een concreet bestaande robot toch 'voedsel' kan bestaan voor de vorming van een illusie van bewustzijn.
We kunnen denken aan verschillende bronnen van inhoudelijke informatie waar de robot misschien bouwstenen of aanwijzingen aan kan ontlenen voor een illusie van bewustzijn. Bijvoorbeeld:

(b4.1)

Foutieve classificatie.


Eerste denkbare bron van illusie is een onterechte toepassing van een loos etiket (c.q. een 'etikettingsfout').
Het etiket 'bewustzijn' zal in dat geval worden toegekend aan een bepaald concept, een cognitieve inhoud C, als resultaat van een psychisch proces. In dat geval kunnen er twee dingen aan de hand zijn:

(a)

Etiket zonder betekenis (referent).


Hetzij de term 'bewustzijn' is echt een volstrekt loos etiket, in de ware zin des woords, zodat het nergens naar verwijst en er dus totaal geen betekenis mee wordt toegekend of geaccepteerd. Maar als de psyche hieraan de illusie van bewustzijn moet ontlenen, dan heeft die illusie geen inhoud. Dus dan is er ook geen illusie.

(b)

Etiket als syntactisch element.


Hetzij het is eigenlijk geen loos etiket, maar het verwijst ergens naar. Bijvoorbeeld, het verbindt aan een cognitieve constructie C die in het brein is gecreŽerd, bepaalde eigenschappen Y die ontleend zijn aan een tweede, eerdere cognitieve constructie, zoals een cultureel bepaalde mythe M. Deze mythe hoeft binnen de bewusteloze automaat enkel maar informatiepatronen aan te leveren. Maar deze kunnen per definitie hoogstens van syntactisch niveau zijn.
Maar als deze bewustzijnsmythe alleen 'kale' informatiepatronen aanlevert, zonder spoor van 'echt' bewustzijn, dan zou het etiket 'bewustzijn' ook louter iets syntactisch zijn. Dat zou het betreffende concept dat eraan ontleend wordt, bij gebrek immers aan bewustzijn, dan eveneens zijn.
En daaruit kan moeilijk bewustzijnservaring ontstaan.
{Nb. Zie opnieuw de bespreking van informatie-gerichte reducties. Link als boven. }

We kunnen weliswaar stellen dat de etikettering onderdeel is, of wordt, van een concept dat inhoudelijk illusief is. Maar dan is het niet zo dat de illusie uit de (verkeerde) etikettering volgt, maar het omgekeerde: de etikettering volgt uit de illusie. En dan komen we weer uit bij de verklaring van bewustzijn uit mentaal concept. Dus dan is er dus nog niets van de bewustzijnsillusie verklaard.

(b4.2)

Vrije fantasie als bron.


Andere denkbare bron is de vorming van een fantasie.
Wellicht heeft de robot bijzondere programma's waarmee het min of meer zelfstandig, op creatieve wijze, fantasieŽn kan opbouwen die tot de illusie van bewustzijn leiden.
(a)

Werking van de robot-fantasie.


Eerste vraag is dan: hoe kan de robot zich Łberhaupt iets voorstellen? In welke vorm of gedaante zou dat precies kunnen gebeuren? Welke formele procedures of algoritmen zouden daartoe kunnen leiden? Wat voor programma's zijn daarvoor geschikt? Er is geen spoor van enige aanwijzing in die richting.
(b)

Grondstof van de robot-fantasie.


Tweede vraag blijft waar de robot zijn 'grondstof' voor de fantasie vandaan haalt. Daarbij moet hij toch iets bedenken als "ik zou bewustzijn kunnen hebben op die-en-die manier". Er zijn echter geen facetten van subjectieve ervaringen waarvan de bewusteloze robot weet heeft, dus zeker geen aspecten van referentiŽle ervaring waaruit hij enig denkbeeld van 'bewustzijn' zou kunnen opbouwen. Dus ook hiervoor is niets van enig realiteitsgehalte te vinden.
(c)

Effect van de robot-fantasie.


De derde vraag is hoe de bewustzijnsfantasie vervolgens kan veroorzaken dat de illusie van bewustzijn ontstaat. Daarbij moeten we bedenken dat de bewuste ervaring zoals eerder gezegd, een hele reeks inherente eigenschappen heeft, waaronder een opmerkelijke stabiliteit, intensiteit, enzovoorts.
Kortom, wederom en nog steeds komen we hiermee terecht in circulariteit.

(b4.3)

Pogingen tot 'inleving', als bron.


Misschien kan de automaat proberen zich op creatieve manier 'in te leven' in de typische ervaring van hoe het zou zijn om bewust besef te hebben. Zo'n poging van kunstmatige empathie zal echter op niets uitlopen.
(a) Er zijn volgens de illusiemetafoor geen andere objecten of wezens die over 'echt' bewustzijn beschikken.
(b) De bewusteloze robot zou steeds de middelen en vermogens blijven missen om te kunnen begrijpen hoe het zou zijn voor een ander wezen om 'echt' bewustzijn te kunnen hebben, dus het zou dat bewustzijn, hoe het zich ook uit of manifesteert bij anderen, so wie so niet kunnen herkennen.

(b4.4)

De vorming van een theoretisch model, als bron.


Ten slotte is het denkbaar dat de robot zijn bewustzijnsillusie ontleent aan een 'koel', 'droog' theoretisch model. Een puur theoretisch model zou voor de bewusteloze robot echter hoogstens kunnen bestaan uit een kale, syntactische structuur, een constellatie van afleidingsregels, zonder enige relatie met ook maar iets op het gebied van inhoudelijke betekenis, zoals waarheid, waarde, zin of beleving - en dus evenmin bewustzijn.

Conclusie mag zijn dat er eigenlijk geen informatiebronnen te vinden zijn die voor de bewusteloze robot bruikbaar zijn om zijn 'waan' van bewustzijn aan te kunnen ontlenen.

(c)

Het - foutieve - concept van bewustzijn krijgt geen inhoud.


Het bovenstaande zou betekenen dat een idee of concept van bewustzijn in een organisme als 'bewustzijnsloze' robot geen zinvolle inhoudelijke betekenis zou kunnen krijgen. Maar zo'n volkomen 'leeg' idee zou dan ook niet kunnen fungeren als illusie of als basis van een illusie.
Dan heeft het begrip 'bewustzijn' ook geen noemenswaardige, zelfstandige en kenbare betekenis. En dan is er voor de bio-robot ook niets om voor 'bewustzijn' aan te zien.

Kortom: de robot is als gevolg van het bovenstaande niet in staat enig begrip te vormen van wat bewustzijn als subjectieve ervaring zou kunnen inhouden, betekenen of behelzen. Om hierover een 'illusie' te vormen zou de robot zich als het ware, met een wonderbaarlijke Baron von MŁnchhausen-achtige krachttoer, uit het moeras van totale bewusteloosheid moeten kunnen optrekken. En dat lijkt geen logische mogelijkheid.

Conclusie.


De bewustzijnsillusie kan, wanneer ze aan iets anders ontleend is dan een 'echt' bewustzijn - terwijl een 'echt' bewustzijn ook niet bestaat - moeilijk een misleiding opwerpen voor de subjectieve ervaring. Die blijft dan immers per definitie onbewust, zodat ze ook niet in een waan kan komen te verkeren dat ze bewuste ervaring is. De vermeende illusie slaagt er dan dus niet in om een effectieve illusie te zijn, een 'echte illusie' zogezegd.
{Nb. Het begrip 'echte illusie' is dus geen contradictio in termines hier, althans, geen 'echte'. }

8. Het bewustzijn als 'onechte illusie'.



Als we het voorgaande (onder hoofdstuk

7

) samenvatten komen we op de volgende conclusies.

(a)

Geen bronnen.


Zonder 'echt' bewustzijn hebben wij geen bronnen of middelen om een denkbeeld of concept van bewustzijn op te bouwen. Een voorstelling van een 'echt' bewustzijn zou dus op geen enkele manier tot ons brein kunnen doordringen.
(b)

Geen verschil.


Maar zonder concept van bewustzijn kan er - geredeneerd volgens het illusiemodel - ook geen notie van bewustzijn zijn, bewust of niet, illusie of niet. Althans niet ťťn die voor het brein (of het zenuwstelsel, de psyche, de geest, het zelf, enz.) te onderscheiden is van het algemene, volledig onbewuste functioneren.
(c)

Geen effect.


Maar dan volgt dat Ťlk concept van bewustzijn-in-letterlijke-zin, of dit concept nu illusoir is of niet, Łberhaupt onmogelijk is, niet kan bestaan, en niet ontwikkeld kan worden - als voorstelling van zaken, als cognitieve constructie.
(d)

Geen denkbare gedachte.


Daaruit volgt: Šls een 'echt' bewustzijn, of bewustzijn in-letterlijke-zin, al een 'echte' illusie zou zijn, dan zou het als logische consequentie van het 'illusiemodel', alleen een ondenkbare illusie kunnen zijn, wat neerkomt op een ondenkbare gedachte; hetgeen paradoxaal is.
(e)

Geen 'echte' illusie.


Het komt er dus op neer: een 'ervaring van bewustzijn' kŗn in werkelijkheid niet een 'illusie van bewustzijn' zijn. En dan zou er dus, volgens hetzelfde model, in het geheel geen sprake zijn van een 'echte' illusie van bewustzijn.
Dus dan bestaat er Łberhaupt geen illusie van bewustzijn.
Dit levert wederom een drogreden van innerlijke tegenspraak (contradictie).

Conclusie.


Het bestaan van subjectief bewustzijn kŗn eigenlijk geen 'echte' illusie zijn. Sterker, het heeft er alle schijn van dat het model van het 'bewustzijn als illusie' in feite alleen ontwikkeld kon worden, doordat juist een Ťcht subjectief bewustzijn werkelijk bestaat ...
Maar het idee dat wij in werkelijkheid die illusie zouden koesteren, die gebaseerd zou zijn op een foutief concept van bewustzijn - dat was nu juist de fundamentele vooronderstelling van dit bewustzijnsmodel. De bodem van het illusiemodel valt daarmee weg.

9. Incompatibiliteit met Darwinistische wetten



Het idee van subjectief bewustzijn is niet nieuw, het heeft al heel wat generaties in heel veel culturen geleefd, is overgedragen, en heeft tot dusver overleefd. Als dit aloude bewustzijnsidee inderdaad op illusie berust, dan roept dat de vraag op naar het begin, de oorsprong, de eerste ontstaansoorzaak van dat idee in de historie.

We kunnen proberen ons een beeld te vormen van de manier waarop in de evolutie de illusie van bewustzijn, volgens dit model ontstaan zou kunnen zijn. Het komt er op neer dat de volgende situatie wordt geÔmpliceerd:
(1)

Evolutie vormt het organisme.


Op aarde is ergens in de evolutie de mens verschenen.
(2)

Automaat met intelligentie.


De mens is in wezen een bio-automaat, uitgerust met een tamelijk intelligente bio-computer: zijn brein.
(3)

Concept van bewustzijn.


Deze automaat-mens heeft gaandeweg in zijn brein een complex concept ontwikkeld van een 'bewustzijn' waar er evenwel geen is. Hij heeft anders gezegd een 'illusie van bewustzijn' ontwikkeld.
(4)

Perceptie van bewustzijn.


En vervolgens ziet de bio-robot dit 'gewaande' bewustzijn eeuwenlang, van generatie op generatie - en logischerwijs noodzakelijk al die tijd onbewust (!) - aan voor een .. juist ja, een Ťcht bewustzijn. Hij verkeert dus massaal, voortdurend, en welhaast onvermijdelijk in de harndekkig illusie een bewustzijn te hebben.
{Nb. Op dit punt baseert Dennett zich op de 'memen-theorie' van Richard Dawkins ('The Selfish Gene', 1976). In deze visie worden culturele patronen verspreid en overgedragen op volgende generaties door zgn. memen (memes). De term 'meme' staat voor de eenheid van culturele evolutie, of "een culturele eenheid, die door imitatie verspreid wordt" (Oxford English Dictionary).
De meme zou, parallel aan het gen, een afzonderlijke 'replicator' vormen in de evolutie, speciaal voor de menselijke cultuur. Memen zijn bijvoorbeeld melodieŽn, zegswijzen, citaten, leringen, enzovoorts. Het brein heeft de neiging deze memen te registreren, te imiteren, te copiŽren en zo verder te verspreiden en als het ware 'voort te planten'.
Het bewustzijn zou nu worden gevormd door een deelverzameling van memen die zich via de natuurlijke evolutie in het brein genesteld hebben als een soort software in een machine. Bewustzijn en betekenis zijn in dat licht 'emergente' verschijnselen, uitkomsten van het universele automatische algoritme dat de evolutie uitvoert en dat juist in essentie bewusteloos en betekenisloos zou zijn. De memen-theorie kent overigens weinig toetsbare hypothesen, ze heeft wat weg van een 'altijd-ware theorie'. De oplettende lezer zal al de nodige lacunes en interne contradicties hebben opgemerkt. }
(5)

Ontmanteling van bewustzijn.


En ten slotte doet uiteindelijk ťťn van zijn nazaten, in de hoedanigheid van deze of gene briljante geleerde, een geniale ontdekking: dat het betreffende concept slechts een 'pseudo-bewustzijn' is ..

Heeft er nu ooit in de evolutie van het menselijk organisme ťnige aanleiding bestaan om een 'illusie', dus een foutief idee, van subjectief bewustzijn te ontwikkelen? Zou zo'n onbewuste fictie, zo'n arbitraire aanname, een toegevoegde waarde kunnen hebben in de alledaagse 'jungle' van het leven, geregeerd door struggle for life en survival of the fittest?

(a)

Onduidelijke meerwaarde van bewustzijn.


Tot dusver is het in ieder geval onduidelijk wat voor biologische functie subjectief bewustzijn zou kunnen hebben. Er zijn hiervoor wel talrijke mogelijkheden te bedenken, maar die zijn vooralsnog allemaal volkomen speculatief.
Sterker nog: op grond van de feiten is zo'n biologische functie uiterst onwaarschijnlijk. Alle processen en activiteiten die wij in het algemeen mŤt bewustzijn kunnen doen, kunnen immers theoretisch even goed zÚnder enige ervaring van bewustzijn - echt of illusief - worden gedaan.
Processen van informatieverwerking van neuro-fysiologische aard die hiervoor als 'reden' worden genoemd, zoals representatie en reflexiviteit, hebben het in ieder geval zoals we zagen niet nodig. Vanuit het oogpunt van evolutie is het totaal overbodig dat iemand op welke manier dan ook bewust 'getuige' zou zijn van wat er allemaal gaande is in zijn omgeving of eigen ervaringswereld. Geen haan die er naar zou kraaien, als het ware.
Bewustzijn zou dus volstrekt zinloos kunnen vanuit Darwinistisch perspectief.

(b)

Onduidelijke meerwaarde van illusie van bewustzijn.


Het laatste lijkt even goed te gelden voor een mogelijke illusie van bewustzijn. Als 'echt' bewustzijn al geen nut heeft, dan lijkt een fictief bewustzijn niet veel nuttiger.
In het bijzonder is de vraag of zo'n foutief idee van subjectief 'pseudo-bewustzijn' iets bruikbaars kan hebben toegevoegd aan de intelligentie, c.q. de informatieverwerkingscapaciteiten van de vermeende menselijke 'bio-robot' of organische automaat. Ook hiervoor kunnen allerlei theoretische mogelijkheden worden opgeworpen. Bijvoorbeeld dat de fictie van bewustzijn misschien nuttig is gebleken in het sociale verkeer, dat wil zeggen, in de wisselwerking en informatie-uitwisseling met andere bio-robots. De vraag blijft ook hierbij welke van die veronderstelde voordelen niet louter speculatief zijn maar ook werkelijk een rol spelen. Daar bestaan geen steekhoudende aanwijzingen of argumenten voor.
Bovendien zijn dat allemaal voordelen die betrekking hebben op informatieverwerking en informatie-uitwisseling, en die dus net zo goed zonder enige fictie, illusie of perceptie van bewustzijn kunnen worden gerealiseerd.
Ook is het de vraag waarom het idee van bewustzijn niet louter, als neuro-fysisch ordeningspatroon, volstrekt bewusteloos is gebleven en dus onmerkbaar.
Als begrip zou bewustzijn in de communicatie tussen de bio-robots ook hoogstens kunnen fungeren als automatische symbolische aanduiding, een manner of speak oftewel een loos etiket - in plaats van een 'echte illusie' die een 'onecht bewustzijn' teweeg zou brengen.
{Nb. Over het bewustzijn als loos etiket, zie eerder. }

Maar goed, in alle gevallen zou 'echt' bewustzijn niet aan de orde zijn. En zoals we boven zagen, zou dan ook elke verwijzing naar bewustzijn irrelevant zijn, dus ook elke aanduiding en elk concept van bewustzijn, evenals elke perceptie van bewustzijn - en eens te meer ook elke illusie van bewustzijn.

(c)

Nutteloze extra ballast.


De alledaagse bewustzijnservaring vereist een bewuste toestand en dit betreft, zeker tijdens het gewone waakfunctioneren, een globale toestand van ons functioneren. Die zal redelijkerwijs een behoorlijk beslag leggen op onze neurofysiologische hulpbronnen. Wanneer deze toestand bovendien uitsluitend bestaat als een complexe mentale constructie die louter 'illusie' behelst, zou het waarschijnlijk des te meer overbodige ballast vormen, en storend werken op de accuratesse en efficiency van andere verwerkingsprocessen. De overlevingswaarde lijkt op evolutionaire gronden dan ook per saldo nihil, en mogelijk zelfs negatief.

(c)

Extreem weerbarstige mutatie.


Het bedoelde idee van bewustzijn kan misschien ontstaan zijn als een 'toevallige', spontane genetische mutatie, bijvoorbeeld in de menselijke genen voor informatieverwerking. Deze arbitraire mutatie zou echter nog steeds geen relevante functie hebben en dus nutteloos zijn. Het lijkt dan vreemd dat zij vervolgens niet in de opeenvolging van vele generaties is gedegenereerd, in plaats van tot zulke langdurige, wijd verspreidde zogenaamde 'denkfouten' te leiden onder de menselijke soort.

(d)

Irrelevant bij-effect.


Misschien is de bewustzijnservaring ontstaan als een onvermijdelijk bij-effect van bepaalde andere functies die hun overlevingswaarde hebben bewezen. Maar ook in dat geval blijft het onduidelijk hoe er een verband kan bestaan tussen de 'gewone', rationeel verklaarbare fysische hersenprocessen, en iets als subjectief ervaren bewustzijn. Opnieuw wordt daarmee de vraag naar de bewustzijnsverklaring verplaatst, maar niet beantwoord - of hoogstens in schijn.

Conclusie.


Het is ook vanuit de invalshoek van het Darwinisme uiterst moeilijk voorstelbaar, of vrijwel ondenkbaar, dat de ervaring van subjectief bewustzijn louter op illusie zou berusten.

10. Het bewustzijn als onmogelijke illusie.



We hebben in dit artikel het model van de 'illusie van bewustzijn' besproken en van allerlei kanten belicht. Daarbij werd bovenal duidelijk dat dit model heel lastig een betekenis valt te geven die beslisbaar en eenduidig is en vooral, die het op validiteit toetsbaar maakt, zowel empirisch als logisch.
Daarom hebben we het model in een veelheid van mogelijke interpretaties bekeken. Het 'illusiemodel' blijkt echter in al die interpretaties zonder naspeurbare grond te blijven, uiterst onaannemelijk, of onhoudbaar wegens strijdigheid met bekende feiten of wegens innerlijke contradicties. Het mag vanwege die uitbundige aanwezigheid van lacunes, contra-indicaties en paradoxen gevoeglijk als weerlegd worden beschouwd.

Het tegendeel van de portee van het model komt daarentegen steeds weer naar voren. Dat wil zeggen: Een illusie van bewustzijn zonder dat echt bewustzijn bestaat, is letterlijk ondenkbaar.

Duidelijk is dat illusie een onderdeel kan zijn van de inhoud van bewustzijn. Dat is vrijwel onvermijdelijk wegens de vele beperkingen en tekortkomingen van de menselijke informatieverwerking en oordeelsvorming, die de inhoud van bewuste ervaring in hoge mate bepalen. Sterker nog, het is heel wel denkbaar dat illusie, of het vermogen om illusies te 'bevatten', een inherente eigenschap is van bewuste ervaring, en daardoor onvermijdelijk en altijd tot op zekere hoogte het geval is. Het begrip 'illusie', opgevat als kenmerk of eigenheid van bewustzijn, kan dus zeker wel voor de inhoud van bewuste ervaring gelden.

Aan de andere kant, zodra de subjectieve ondervinding van bewustzijn op zichzelf, als zodanig, als geheel, in essentie, werkelijk ook maar in de minste mate letterlijk 'illusie' zou worden, dan zou die ondervinding theoretisch misschien kunnen voortkomen uit een inhoudelijk idee, concept of model van bewustzijn, maar vervolgens, als ondervinding, volkomen los staan van psychische inhouden. Maar dan zou juist dat echte illusie-karakter van die ondervinding ervoor zorgen dat de subjectieve ondervinding van datzelfde bewustzijn in ieder geval in evenredige mate onmogelijk zou worden.
En zonder bewustzijn is het ook onmogelijk om enige illusie, in welke vorm dan ook, te ervaren. Dus dat zou ook elke bewustzijnsillusie betekenisloos maken, en in feite non-existent. Er is dan ook geen moment voorstelbaar waarop enig levend organisme of ander denkbaar systeem ooit in het universum een glimp van illusie van bewustzijn heeft kunnen ervaren, of ooit zou kunnen ervaren.

We kunnen het dilemma als volgt samenvatten:
(1)

Voor zover 'echt' bewustzijn illusie is, kan die illusie alleen onbewust blijven.


Met een echte bewustzijnsillusie is elk echt bewustzijn uitgesloten.
Maar dan is het ook onmogelijk om zoiets als een illusie - of welke psychische inhoud ook - subjectief te ervaren of op te merken. En dat geldt dan ook voor die betreffende bewustzijnsillusie. Dus dan blijft elke 'echte' bewustzijnsillusie categorisch en definitief onbewust of buitenbewust, ontoegankelijk voor alle mogelijke mentale en psychische capaciteiten, en dus geen 'echte' illusie oftewel op zichzelf geheel en al illusie.

(2)

Voor zover 'echt' bewustzijn is uitgesloten, kan er geen illusie over bestaan.


Zonder enig echt bewustzijn is elke echte bewustzijnsillusie uitgesloten.

In het idee van bewustzijn-als-illusie ligt dus een contradictie besloten die structureel is en die onmogelijk valt te repareren, dus fataal is voor de aanname dat bewustzijn per definitie illusie 'is', of zelfs dat ook maar ooit in enige mate zou kunnen zijn.

Met andere woorden, het begrip 'illusie' blijkt volstrekt irrelevant voor de directe subjectieve ondervinding die wij plegen aan te duiden als 'bewustzijn', opgevat in zijn meest algemeen gangbare betekenis.

Kortom: subjectief bewustzijn blijkt door de bank genomen exact te zijn wat het lijkt. Dus iets wezenlijks - een essentiŽle component - van subjectief bewustzijn zal dan toch bestaan. En niet als illusie.

De realiteit van subjectief bewustzijn geldt, ongeacht ons (on)vermogen om het volledig te begrijpen, te bevatten of te verklaren.

C.P. van der Velde, augustus 2005.
(hetzien maart 2012).